Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
flikkerde in de zon. Zijne naakte voeten rustten met de
uiterste spits der teenen op de houten stijgbeugels. De
hoofdtint van den Jarocho was donkerbruin en hield het
midden tusschen de kleur des Negers en die van den In-
diaan ; en eindelijk verried zijn dichte baard den oostcrschen
oorsprong van zijn stam. Moeilijker was het, den stand des
anderen ruiters uit zijn uiterlijk op te maken, want hij
droeg een katoenen buis, een witten pantalon, lederen
halve laarzen en een kostbaren stroohoed. Zijn onvrien-
delijk , bijna afschrikkend gezicht kon even goed een koopman
of een paardenhandelaar, als eenen straatroover toebehooren,
en zijn prachtig paard versterkte dit drievoudig vermoeden.
Een paar spelers, waar men die dan ook vinden mag ,
zijn voor den Mexicaan van iedere klasse steeds een aan-
trekkend schouwspel, en tot mijne groote ergernis schenen
die beide ruiters dan ook van zins, bij ons te blijven staan.
Ik zat onbewegelijk met de kaarten in de hand en was
eenigszins verlegen, dat ik hier op een zoo tegen mijne
gewoonten inloopend werk betrapt werd. Daar inlusschen
geen inzet zichtbaar was, vleide ik mij met de hoop, dat
men ons spelen voor eene onschuldige tijdkorting zou houden.
Ik had het hier evenwel met lieden te doen , die in de aan-
gelegenheid van menschelijke zwakheden ervaren beoor-
deelaars waren.
„Speelt gij misschien om dezen mooien bruine?" vroeg
mij do ruiter met het katoenen buisje, groetend en een
doorborenden blik op mij werpend.
„ Ja ," antwoordde ik kortaf.
„In dat geval speelt gij een hoog spel," vervolgde hij ,
„en als, naar ik hoop, het paard u toevalt, dan wensch
ik u veel geluk. Gij zult het toch niet voor onbescheiden
houden, dat wij het spel aanzien?"
„Ik zou de partij liefst zoo uitspelen, als ik haar be-
gonnen heb ; want ik weet bij ondervinding, dat ik geluk-
kiger speel, als ik geen toekijkers heb."