Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
Ongelukkig was tusschen den heer en den dienaar nog
eene vroegere rekening te vereffenen , die door het geschenk
van den ouden, mageren karrebonk juist niet ten voordeele
van Cecilio gekweten werd. Hij gaf mij dit dan oolc op
kiesche wijze te verstaan en verlangde op staanden voet
zijne betaling. „Gij weet," antwoordde ik hem, „waarom
ik Jalapa verlaten heb ; daar nu in deze wilde streken geen
handelshuis is , waar ik op mijne wissels gold kan krijgen ,
zult ge nog wel geduld dienen te hebben , tot we naar
Vera-Cruz komen."
Cecilio antwoordde niet ; doch zijne gansche houding
bewees mij , dat hij nog niet zijn laatste woord had gezeid.
Nadat wij een half uur zwijgend doorgestapt hadden , begon
hij werkelijk weer en zei: „Als gij gezind waart, om nuj
moe naar Europa te nemen , zou het levendig verlangen ,
om zulke merkwaardige landen te zien , mijn angst voor de
gele koorts licht wel overwinnen, 't Spreekwoord zegt:
Wie niets waagt, komt niet over zee."
Ik merkte aan , dat zulk eene reis zeer kostbaar was ;
hij scheen dit zelf te begrijpen en zweeg andermaal stil.
Wij vervolgden onzen weg , en toch week hij niet van mijne
zijde. Opeens liet hij een uitroep van tevredenheid hooren
en zei : „Bravo ! Daar heb ik er wat goeds op gevonden."
„Werkelijk ?" vroeg ik. „En wat is dat ? Laat hooren
eens."
„Ik doe u het voorstel," antwoordde hij met een ernstig
gezicht, „dat wij spelen om mijne pretensie en dat gij daar
uw mooi paard tegen inzet. Daar 't u onmogelijk is, mij
op dit oogenblik te voldoen, maar ik toch vast besloten
ben , u niet verder te volgen , zult gij zeker niet weigeren,
mijn voorstel aan te nemen. Ingeval gij wint, zijt gij mij
niets schuldig , en mij blijft de eer , u voor niet gediend te
hebben ; maar indien gij verliest, dan ruilen wij van paarden
en kunt gij op mijn vale uw weg vervolgen."
Ik was eerst besloten, dit voorstel bepaald af te wijzen ;