Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
moeiingen toch vruchteloos. Wij kwamen dus op het ver-
moeden , dat de roovers , na hun buit onder elkaar verdeeld
te hebben, ieder zijn eigen weg waren ingeslagen. Deze
gedachte, die ons ontmoedigde, had evenwel op den kapitein
eene geheel andere uitwerking. Tot hiertoe had don Bias
onder alles eene groote onverschilligheid aan den dag gelegd;
doch op dit oogenblik liet hij zich op eens in de heftigste
bedreigingen tegen de roovers uit. „Ha," riep hij bij her-
haling uit, „laat mij maar een van de schurken in handen
krijgen , en ik laat hem op staanden voet voor den kop
schieten." Vervolgens gaf hij bevel tot opzitten en ver-
deelde de soldaten in twee afdeelingen, die de verschillende
paden, die op de boschopening uitliepen, scherp onderzoeken
en zich twee uren na zonsopgang weer op dezelfde plek
vereenigen moesten. Don Bias stelde zich aan het hoofd
van het eene troepje, Juan aan dat van't andere. Ik hield
mij bij het volk van den kapitein, niettegenstaande hij zich
alle moeite gaf, om mij daarvan af te brengen. Onze weg
bracht ons spoedig op eene plaats, waar andermaal de paden
uiteen liepen. Wij moesten ons dus nogmaals verdoelen,
om ieder een voor zijne rekening te nemen.
„Als dat zoo voorgaat," zeide ik tot don Bias, „moeten
wij in 't eind zoo verstrooid raken, dat die wij vervolgen
nog jacht op ons zullen gaan maken."
Desniettemin scheen de kapitein zich hoegenaamd niet
om het gevaar te bekommeren, dat deze herhaalde ver-
deeling kon na zich slepen. Zonder aarzelen volgde hij
een der paden, en ik was de eenige, die bij hem bleef.
Toen wij echter buiten het gezicht der overigen waren,
scheen zijn ijver terstond te bekoelen. Hij hield zijn paard
in, dat voor het mijne ging, en begon met de grootste
bedaardheid over de schoonheid van het landschap te spre-
ken. De Amerikaansche natuur toch ontwaakte in dit oogen-
blik in al hare pracht, en de zonnestralen drukten den
nevelsluier, die zich in den nacht boven de toppen der