Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
lichaam te hoeren. Ik luisterde opnieuw , doch vernam
niets , dan den ongelijken tred der muildieren. Na eenige
sekonden deed mijn paard een zijsprong, alsof 't in den
donker een voorwerp had gezien, dat het deed schrikken.
Begeerig, om eenige zekerheid te verkrijgen, haalde ik
mijn lucifersdoosje uit den zak en stak voor den schijn eene
sigaar aan. En met ontzetting ontdekte ik nu bij 't lichten
van de vlam zoowel onder de manschappen van het escorte,
als onder de muildierdrijvers een aantal vreemde lieden,
sommigen met roode rokken, als de lansiers, anderen met
wollen kielen als de drijvers bekleed. Op eens verstomde
het klokje van het voorste dier ; daarop hoorde ik het weer,
maar in de tegenovergestelde richting , en eindelijk kwamen
soortgelijke tonen uit den afgrond links van den weg. Ik
had genoeg , ja meer dan genoeg gezien , om overtuigd te
zjjn , dat wij aan alle kanten met verraad omringd waren.
Wat moest ik doen in een ondoordringbaren nevel en op
een weg, die door afgronden was ingesloten ? Eindelijk
besloot ik , naar de spits van den trein op te rijden en mij
met den arriero te verstaan. Daartoe was het echter reeds
te laat. Pas had ik mijn paard de sporen ingedrukt, toen
eene lyn boven mijn hoofd gonsde en op mij nederviel.
Mijn paard deed een sprong vooruit, maar in plaats van
uit den zadel gerukt en door de hoeven der paarden ver-
trapt te worden, voelde ik mij met een onweerstaanbaar
geweld op den rug van het dier gebonden. De strik , die
maar alleen voor mij bestemd was geweest, had ros en
ruiter tegelijk omwonden. Daar mijn rechterarm zich niet
uit den lasso losmaken kon , om met het mes de lijn door
te snijden , zoo drukte ik mijn paard de sporen diep in de
zijden. Het edel dier snoof en brieschte en sprong met
onweerstaanbare kracht vooruit. Ik voelde, hoe de lijn
zich vaster om mij samentrok ; daarop hoorde ik het knarsen
als van een scheurenden gordel, door een grimmigen vloek
gevolgd, en op 't zelfde oogenblik was ik vrij , voordat ik