Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
een reed een prächtigen hengst en had een vrij wild uitzien."
„Een prachtigen hengst?" vroeg ik, onwillekeurig aan
den ruiter denkend, die in Mexico het opbreken van het
escorte zoo belangstellend had aangezien.
„De ander ," vervolgde Cecilio , „reed een gezadeld muil-
dier en droeg de dracht van de muilezeldrijvers. Als ik
goed begrepen heb , wat zij met elkaar bespraken, schuilen
zoowel Victoriano als zijn plaatsvervanger met hen onder
een deken."
„En waar zijn die beide ruiters gebleven?" vroeg ik verder.
„Als ik 't niet erg mis heb , hebben zij zich in de don-
kerheid onder het escorte gemengd. Met wat doel zij dat
gedaan hebben , is licht te raden. Naar alle gedachten zijn
zij niet alleen , want deze afgronden kunnen eene gansche
bende verbergen. Wanneer gij het dus goed vindt, laten
wij 't escorte verder alleen trekken."
„Dat zullen wij niet doen," antwoordde ik; „integendeel
wil ik den kapitein dadelijk van de plannen der schurken
onderrichten."
„En wie zegt u , of hij zelf 't niet ook men hen eens is ? "
Zonder eerst te overwegen , of Cecilio's argwaan ten op-
zichte van den kapitein gegrond was of niet gegrond,
spoorde ik mijn paard aan , om schielijk bij den arriero te
komen en dien te waarschuwen. Niet zonder moeite haalde
ik de laatste soldaten van het escorte in , reed vervolgens
verscheiden beladen muildieren voorbij, en hoorde eindelijk
het klokje van het leiddier nog ongeveer honderd passen
voor mij uit. Op dit oogenblik meende ik in een nevens
mij rjjdenden man het donker gezicht van Victoriano's plaats-
vervanger te herkennen, en onmiddellijk daarop riep de
stem van een der drijvers: „Wat, Victoriano, gij hier
weer? Hoe komt gij zoo uit de lucht vallen?"
Er volgde geen antwoord op deze vragen en de stem
zweeg. Ik schrikte ; want ik verbeeldde mij , iets als een
gesmoord rochelen en terstond daarop den val van een