Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
159
laatsten nacht gesleten hadden, over te brengen , en wij
het kostelijke vleesch niet aan de beren en wolven prijs
wilden geven, kwamen wij tot het besluit, om den morgen
hier op de plaats zelve af te wachten. Wij besloten hier
te gereeder toe , wijl de koude gaandeweg aanmerkelijk was
afgenomen. Zoo groeven wij dan onder een zwaren olm-
boom , wiens holle stam zich zonder tak of twijg wel ruim
zestig voet boven den grond verhief, een gat in de sneeuw,
breidden daar onze dekens uit en legden ons onverwijld tot
slapen neder, nadat wij in de holte van den boom een goed
vuur aangelegd en den drie jongen Indianen opgedragen
hadden , daar beurtelings bij te waken.
Na korten tijd sliep onze dokter zoo gerust, alsof hij
thuis goed en wel op zijn bed had gelegen. Ook ik was
op het punt van onder zeil te gaan , toen de oude roodhuid
eensklaps opsprong , zijne bijl pakte , die met beide handen
boven zijn hoofd ophief en zijn blik vast op de boomholte
richtte, waarin het vuur brandde. Een ommezien later
was ik ook op de been , en nu klonk mij uit den hollen
stam een gebrul in de ooren, dat mij het gedrag van den
ouden man terstond duidelijk maakte. Voordat ik nog tijd
had, naar mijne buks te grijpen , plompte een zwaar, log,
zwart lichaam in den hollen boom en midden op de vlam
neer, zoodat de vonken ver weg in 't rond stoven. De
dokter had tot hiertoe rustig doorgeslapen , maar werd nu
door een gloeiend stuk hout, dat hy tegen zijn neus kreeg,
niet zeer aangenaam gewekt. Met een luiden kreet sprong
hij op en tuimelde in de armen van een ruigen beer, die
hem al met klauwen en tanden pakken wilde, toen de bijl
van den Indiaan nog even tijdig op den schedel van 't mon-
ster neerkwam en dien in tweeën kloofde. Het dier stortte
dood neer, zoodat wij moeite hadden, onzen vriend, wien
de schrik van alle bewustheid had beroofd , onder den ge-
weldigen vleeschklomp weg te halen.
„Wij kunnen nu wel weer gaan slapen," zei de Indiaan