Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
158
afgemat en konden zich in de sneeuw slechts nog langzaam
voortslepen. Ook de tred van den eenen , dien ik volgde,
werd al trager , en groote bloeddroppels op de sneeuw be-
wezen , dat hij door de harde ijskorst der vroeger gevallen
sneeuw gewond was. Soms verloor ik hem uit het oog, maar
voortdurend kon ik duidelijk hooren , hoe hij kuchend door
het lage hout baan brak. Op vele plaatsen was de sneeuw
diep opgewoeld , en hier en daar was het dier van uitputting
neergevallen , maar had zich telkens weer opgeraapt, 't Was
een edel schepsel, van om de zeven voet hoog , en toen
ik het naderde, deed het majestueuze van zijn voorkomen
mij bijna schrikken. Mijn kogel trof het in de borst.
Woedend van pijn beurde het zijn geweldig lijf uit de
sneeuw op en kwam op mij los. Had ik hem willen ont-
loopen, dan zouden mijne sneeuwschoenen mij zeker be-
lemmerd hebben , en daarom achtte ik 't geraden, te blijven
staan en mijn tweede schot los te laten. Ditmaal zat hem
dat in den kop ; hij waggelde , struikelde , strekte zijn hals
uit en zeeg langzaam , als zich tot rusten neervlijend , op
de sneeuw neer, waar hij na eenige stuiptrekkingen den
adem uitblies.
Mijne makkers waren - minder gelukkig geweest dan ik.
De oude Indiaan had zijn dier wel aangeschoten ; maar dit
had de rivier weten te bereiken en over het ijs te ontkomen.
Nog erger was het den dokter gegaan. De arme man was in
de hitte der vervolging in een diepen sneeuwkuil getuimeld,
en toen hij zich daar met moeite weer uit naar boven had
gewerkt, was van het wild niets meer te hooren of te zien.
Onze dokter was nauwelijks van dien eersten schrik be-
komen , toen hem eene andere, nog veel aangenamer ver-
rassing te beurt viel. Het oude zeggen , dat een ongeluk zel-
den alleen komt, werd ook aan hem weer bewaarheid. Terwijl
de Indianen met het kleinmaken van het wild bezig waren,
had de avond ons overvallen , en daar 't nu onmogelijk was,
den buit nog voor donker naar de hut, waarin wij den