Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
157
jonge takken en de boomschors er geheel zijn afgevreten ,
en ook dan gaan zij niet verder , dan tot waar zij nieuwen
voorraad vinden. Door dit trage leven worden zij in den winter
altijd zeer vet. Onze hut was spoedig opgebouwd , en de
avond en nacht verstreken als de vorige, hoewel wij minder
van de koude leden.
De morgen was donker en mistig , en de sneeuw begon
in dichte vlokken te vallen , toen wij met de vier Indianen
en al de honden naar het perk opbraken. De versch vallende
sneeuw , die op onze sneeuwschoenen neerkwam, verzwaarde
het loopen zeer en viel ook in zware vracliten van de takken
op ons neer, als wij die toevallig aanraakten. Daarbij werd
het al warmer en warmer, zoodat de sneeuw begon te
smelten en de sloten onzer geweren weldra nog 't eenige
waren, dat aan ons droog was gebleven. In onze spanning
stoorden wij ons hier echter weinig aan , daar wij al nu
en dan de prenten van een elch in de sneeuw en in de
boomschors de indruksels zijner tanden ontdekten. Hoe
meer wij den voet eens hoogen, stellen heuvels naderden ,
des te talrijker werden dio teekens. Nu werden de honden
vooruitgezonden en begonnen al spoedig vreeselijk te janken
en te blaffen, 't Had nu weer met sneeuwen opgehouden,
zoodat wij verder van ons af konden zien. De richting
der honden volgende, kwamen wij spoedig op een versch
spoor van verscheiden elanden. In mijn ijver , om vooruit
te komen, strompelde ik meermalen en had moeite, do
Indianen bij te blijven. De honden stonden nu stil, terwijl
zij grimmig blaften, maar toch niet waagden , binnen 't be-
reik der hoeven of geweien hunner vijanden te komen.
Toen het wild ons ontdekte, zocht het te vluchten, maar
kon zich in de diepe sneeuw slechts langzaam voortbewegen.
Daar de drie dieren verschillende richtingen insloegen,
verdeelden ook wij ons ; de dokter vervolgde het eene, ik
het tweede, de oude Indiaan het derde. Eerst wonnen do
dieren het van ons in vlugheid; doch spoedig werden zij