Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
156
waarom hadden wij ons op do jacht zulk eene weelde ver-
oorloofd ? Overigens konden wij het vleesch licht ontberen,
want de forellen , die onderwijl in eene pan gebakken waren,
leverden ons een kostelijk maal. De Indianen knielden nu
neder en mompelden met zachte, zingende stem hunne ge-
beden. De ongelukkige honden kregen volstrekt niets te
eten , daar dit hun ijver op de jacht zou hebben verflauwd,
en mochten ook niet bij het vuur komen, 't Was wezenlijk
om medelijden met de arme schepsels te krijgen; doch de
Indianen waren op dit punt onverbiddelijk. Toen wij , men-
schen , allen verzadigd waren, legden wij ons tot rusten
neder. Niettegenstaande mijne vermoeidheid het de koude
mij echter dien nacht geen oog toedoen. Het vuur brandde
helder, en wel zoo dicht bij onze voeten, dat het onze
dekken bijna verzengde ; verder waren wij zeer warm gekleed
en in pelzen ingepakt; maar de koude was zoo vinnig , dat
naast mij verdunde spiritus tot een klomp bevroor. Inderdaad
had ik tot hiertoe nog niet geweten, wat koude eigenlijk
wel is.
Kort na het aanbreken van den dag waren wij weer op
marsch. Wij moesten dien dag door eene woeste, berg-
achtige streek trekken, en op vele plaatsen waren de hel-
lingen zoo steil, dat wij er ons met handen en voeten bij
opwerken moesten. Waar het bergaf ging, hurkten wij op
onze sneeuwschoenen , die wij achter vasthielden , neer en
gleden met pijlsnelheid naar beneden , waarbij trouwens wel
eens een op gevaarlijke manier over den kop kwam buitelen.
Daar lagen wij dan in de sneeuw begraven, tot wij er ons
met moeite weer uit opwerkten. Na een afstand van acht
uren gaans te hebben afgelegd , kwamen wij aan eene be-
vroren rivier. Onze wegwijzer wierp zijne vracht af en
zeide ons, dat wij hier ons nachtleger opslaan moesten,
daar wij van het perk der elanden nog een uur verwijderd
waren. Deze dieren toch houden , zich op zulk eene plek
vereenigd hebbende, zich daar altijd zoo lang op , tot de