Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
155
van acht tot tien passen geheel vrij van sneeuw , en hoopten
de opgeschepte sneeuw in dier voege op, dat zij rondom
een vasten wand van om de vgf voet hoogte vormde. Daarop
velden zij eenige jonge dennen en maakten daar een dak
van, dat zij overdwars met takken en vervolgens met den-
nenschors dekten. Aan de eene zijde der hut had men
eene opening gelaten, die tot deur diende, en in het dak
was een gat, waardoor de rook wegtrekken kon. Van
binnen liepen langs de wanden zittingen van sneeuw, die
met vellen bedekt werden , en in het midden was een houts-
blok met een platten steen , waarop het vuur werd aange-
legd. Op een zacht geurig leger van dennennaalden dachten
wij, een heerlijken nacht te zullen doorbrengen.
Terwijl de Indianen dit alles in orde brachten, ging ik
met mijn vriend naar een naburig meer, om daar te visschen.
Na met de bijl een bijt in het ijs te hebben gekapt, lieten
wij onze snoeren in het water neer en hadden reeds na een
kwartier bij de dertig zware forellen opgehaald. Toen wij
met onze vangst in de hut kwamen , waren de visschen zoo
hard bevroren, alsof zij dagen aan de koude waren bloot-
gesteld geweest. Do Indianen hadden onderwijl een toerei-
kenden voorraad brandhout verzameld en voor de deur der
hut opgehoopt; een groote ketel hing aan een touw boven
het vuur en daarin pruttelde een uit varkensvleesch en
erwten bestaande Indiaansche hutspot, terwijl in een kleiner
ketel het water voor de thee lustig borrelde. De hut was
warm en werd door eenige in de sneeuwwanden gestoken
kienfakkels toereikend verlicht. Wij proefden van den Indi-
aanschen pot en lieten toen een der beide kistjes openen ,
waarin wij voor ons zeiven een voorraad vleesch hadden
meegenomen. Een der Indianen brak de eene met de bijl
open ; wij waren hongerig als raven , en ieder wapende zich
reeds met een bord ; doch uit de geopende kist sloeg ons
zulk een lucht tegen , dat zelfs de Indiaan zijne neusgaten
toeknijpen moest. Zoo kregen wij dan ons verdiende loon;