Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
154
onder het dier scheen gelegen te hebben. Het lichaam
zelf was nog verborgen door de dichte takken, waarachter
het zich met moeite scheen op te richten. Ik liet het geen
tijd, om dit te doen, maar legde aan en trof het in den
hals. Joe, die even veel lust scheen te hebben om de jacht
ten einde te brengen, schoot terstond na mij, en nu blies,
door de verschillende wonden overweldigd, de vorst der
Amerikaansche wouden na korten doodsstrijd den adem uit.
„Een waagstuk van belang — een eland bij sterrenlicht te
schieten!" zei Joe met blijkbare voldoening. Nadat ik mij
overtuigd had, dat het dier werkelijk dood was, trad ik
toe, om 't heerlijk gewei te bewonderen, dat ons offer sierde
en dat met den kop nu dadelijk van het lichaam werd ge-
scheiden. Hierop legden de Indianen een vuur aan en
begonnen hun slagerswerk. Het dier was nog een half
voet hooger, dan het twee dagen vroeger gevelde, en
moest van zeven tot acht jaar oud zijn.
Den volgenden morgen groette ik mijne makkers, die
zeer vergenoegd met hun rijken buit naar hun dorp terug-
keerden , terwijl ik mij door een in de nabijheid wonenden
jager verder den stroom liet afrooien. De geweien, welke ik
van dezen tocht medebracht, wekten algemeene bewondering.
Een jaar later had ik op eene mijner reizen in het bin-
nenland gelegenheid, om ook aan eene winterjacht op
elanden deel te nemen. Een mijner vrienden , een dokter
uit Quebec, vergezelde mij, en als gidsen en dragers van
onze bagage hadden wij vier roodhuiden , een ouden man
met zijne drie zoons, bij ons. Toen wij na een vermoei-
enden marsch voor de eerste maal ons nachtleger in het
woud moesten opslaan, kon ik het overleg, waarmede ons
de Indianen midden in de wildernis eene aangename leger-
plaats wisten te bereiden, niet genoeg bewonderen. Na
onder een zwaren denneboom eene geschikte plek te hebben
gevonden, trokken zij hunne sneeuwschoenen uit, maakten,
die als scheppers gebruikende, den grond in een omtrek