Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
153
in hunne ruwe taal gevoerd hadden, zeiden zij , het er
voor te houden, dat het dier zwaar gewond was. Op mijne
vraag, of wij het niet in het bosch vervolgen konden,
schudden zij het hoofd en meenden, dat dit bij nacht te
gevaarlijk was, maar dat wij tot den morgen zouden
moeten wachten.
In de meening, dat ons werk nu vooreerst afgedaan was,
stak ik eene sigaar aan en strekte mij op mijn deken uit,
terwijl mijne makkers hun gesprek in hunne moedertaal
voortzetten. Na een minuut of tien zeide Joe, zich tot mij
koerende: „Glode meent, dat wij het dier toch wel in den
nacht nog volgen kunnen, als wij maar omzichtig te werk
gaan." Mijn bloed was ondertusschen bekoeld en ik dacht,
dat het beter was, dat wij bleven, waar wij waren ; doch
wijl ik zelf het waagstuk had voorgeslagen , moest ik er
ook wel bij blijven. Nadat wij dus nog eenige minuten
gewacht hadden, gingen wij op weg. Joe gaf mij nog
eenige wenken, hoe ik mij bij een mogelijken aanval van
de zijde van den eland te gedragen had; vooral herhaalde
hij meermalen de woorden: „Als gij geschoten hebt, berg
u dan dadelijk achter een boom." De oude Glode ging
voorop en droeg een groot stuk aangestoken berkeschors,
dat een onzeker licht op de ons omringende voorwerpen
wierp. Toen wij den zoom van het woud bereikten,
schaarden wij ons in eene rij, terwijl wij den fakkeldrager
in het midden namen. Wij waren geen honderd passen
ver, toen wij uit het kraken der takken opmaakten, dat
de eland niet ver was. Uit bezorgdheid voor een aanval
weken wij een weinig terug, en nu schenen de Indianen
den lust tot de jacht eensklaps verloren te hebben. Vooral
Joe gaf zich kennelijk moeite, om mij in de voorhoede te
brengen. Toen na eenige seconden alles stil bleef, rukten
wij meer vooruit, en eindelijk ontdekte ik bij het schijnsel
der fakkel het statig wild, welks machtige, met een prachtig
gewei gekroonde kop uit een dicht boschje opstak, waar-