Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
uit deze verte gezien, een deel van hunne vroegere schoon-
heid terugerlangd. Met weemoed zag ik naar de hooge
koepels der stad om, welke ik voor eene reeks van jaren
met de levendige nieuwsgierigheid en geestdrift der jeugd
betreden had, en die voor mij zoo goed als een tweede
vaderland was geworden. Ik wierp tot afscheid nog een
laatsten blik op dit gezegende dal, waarin eene eeuwige
lente heerscht; maar toen bracht ik mijn paard in galop,
en spoedig had ik • ook de hoogste torens van Mexico uit
het gezicht verloren. Nadat ik te Cordova overnacht had,
nam ik mijn weg door de wegens tallooze roovenjen be-
ruchte bosschen van don Eio Frio en over de lachende
vlakten van San Martin, en kwam, toen de sneeuwtoppen
der vulkanen in de laatste stralen der zon glinsterden, in
Puebla aan. Op dienzelfden dag was het geldtransport deze
stad doorgetrokken.
Met de hooge torens zijner talrijke kloosters en kerken
en zijne mot beschilderd porselein gedekte koepels heeft
Puebla van verre het aanzien van eene Oostersche stad met
slanke minarets. Ik hield er mij niet langer op, dan noodig
was, om uit te rusten, en op den derden dag na mijn vertrek
uit Mexico zag ik in de verte de roode vaantjes der lan-
siers, die het transport begeleidden.
Toen ik den laatsten der ruiters had ingehaald, her-
kende ik in hem een jongen man, Juan, die vroeger be-
diende van den mij bekenden kapitein don Bias geweest
was, en nu als onderofficier in diens regiment diende. Hij
deelde mij meê, dat de kapitein in persoon het escorte
aanvoerde, en dat ik hem aan de spits van den trein vin-
den zou. Toen ik de rij der muildieren achter mij had,
begroette ik don Bias en onderrichtte hem van mijn besluit,
om mij bij het escorte aan te sluiten. „Ik vrees," zeide
hij, na mijn groet vrij koel beantwoord te hebben, „dat
gij uit den regen in den drop komt; want de rooversbenden
in deze provincie zijn, hoor ik, onlangs nog met eenige