Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
151
I
kwartier te begeleiden , waar wij, naar zij meenden , mis-
schien wel gelegenheid zouden vinden, om nog een tweeden
eland te schieten. Na eene aangename vaart op de fraaie ,
heldere rivier kwamen wij aan den rand van een groot
moeras, dat door een kanaal met den stroom in verband
stond en ongeveer honderd passen diep in het woud indrong.
Aan het einde van dit kanaal landden wij en bereidden op
den oever onzen avondmaaltijd. Nadat de honger gestild
was , doofden wij hèt vuur uit, gingen verder in het moeras
op, dat in dit jaargetijde geheel droog was, en vatten
post bij eene groote rots, die zich boven den drassigen
grond verhief. Hier wachtten wij den ondergang der zon
af, en toen liet Glode zijne loktonen door het woud klinken.
De plek , waar wij waren , scheen voor ons doel zeer goed
gekozen , want zij was op drie zijden door bosch ingesloten
en grensde op de vierde aan de rivier, waarin onze reus-
achtige vrienden 's avonds hun dorst plachten te komen
lesschen. Werkelijk had Glode nauwelijks een half uur
lang geroepen, toen het breken van takken in de verte,
waarop dat onmiskenbare knorren volgde , ons het naderen
van een elch aankondigde. De sigaren werden weggelegd,
de buksen gegrepen, en Glode en ik — Joe was met den
horen een stuk achteruit gezonden , om het dier dichter bij
onze hinderlaag te lokken — wachtten vol ongeduld op de
verschijning van den laten gast. Het wild scheen de lok-
stem , welke Joe voortdurend liet hooren, echter niet te
willen volgen, en na een uur van bange spanning was
alles doodstil om ons toe.
Daar voor dezen nacht niet meer op de komst van een
stuk wild te rekenen was , legden wij ons onder de naaste
struiken neder, terwijl wij onze buksen tegen den zwaren
dauw met doeken bedekten. Wij mochten ongeveer een
uur geslapen hebben , toen ik plotseling op geringen afstand
het geluid van een eland vernam. Terstond rees ik op ,
schudde Glode, die naast mij lag, wakker en zeide hem,