Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
148
spitse pooten diep in de sneeuw wegzakken , terwijl de van
breede sneeuwscboenen voorziene jager zich. met snelheid
voortbeweegt.
Toen ik mij — verhaalt een Engelsch reiziger — voor
eenige jaren in Canada ophield, had ik gelegenheid, om
met twee Indianen, Glode en Joe, op elanden jacht te
maken. Nadat wij den ganschen dag door het bosch waren
getrokken , kwamen wij aan een steenachtigen heuvel, die
met laag struikgewas , welks jong loof de lievelingskost van
den eland is, bedekt was. Hier zochten wij eene plaats
aan de helling van den heuvel, waar een rotsblok ons tegen
den wind beschutte; ik breidde een doek over den grond
uit en legde mij daarop neer. Terwijl ik in alle bedaard-
heid mijne sigaar rookte, trachtten de beide Indianen beur-
telings het wild door 't nabootsen van zijn eigenaardig ge-
schrei aan te lokken. Er kwam echter niets, hoewel de
tonen tot op verren afstand hoorbaar moesten zijn. Ver-
moeid van den marsch , sliep ik eindelijk in, terwijl mijne
makkers met de den roodhuid eigen volharding hunne
pogingen ook gedurende den nacht voortzetten. Toen ik
tegen den morgen ontwaakte, vond ik hen nog op die
wyze bezig. Ik was op het punt van weer in te slapen,
toen Glode op eens riep: „Nu hoor ik hen!" Dadelijk
sprong ik op , stopte mijn bonten doek weg, wiens kleur
ons verraden kon, en verborg mij met de twee achter de
struiken. Nu begon Glode uit een horen klagende tonen
te lokken, die het argelooze dier aantrekken moesten.
Deze list had het beste gevolg. Na weinige minuten kon-
digde een eigenaardig knorren het naderen van een eland
aan. Joe, trillend van ijver en ongeduld, fluisterde mij in
het oor : „Schiet niet, voor dat hij dichtbij is." Ik knikte
toestemmend en wachtte vol ongeduld , of het wild zich ver-
toonen zou. Intusschen zorgde Joe, met zijne buks bij de
hand te zijn, ingeval ik eens mocht missen. Een oogen-
blik later vertoonde zich het kolossale dier, dat wegens de