Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
145
den oever naderde, „'t Beest wil ons den weg afsnijden en
ons van voren aanvallen."
De kano vloog nu insgelijks in schuinsche lijn op den
oever toe , en op 't oogenblik , toen de beer aan land kwam,
was ook de Canadaan, de buks in de hand, met een sprong
op den kant. „Blijft daar!" riep de moedige jager; „ik
hoop , 't alleen wel te klaren." Met deze woorden boog hij
zich, terwijl de beer in den hem eigen sjokkenden draf
naderde , op de eene knie neder. Zelfs de Indianen moesten
zijne bedaardheid bewonderen; want het leven van den moe-
digen man hing nu van éene eenige valsche beweging, van
het haperen van zijne buks en van andere omstandigheden
af, welke ook de beste schutter niet altijd in zijne macht
heeft. Nu bracht hij den kolf van het geweer aan zijn
schouder, drukte zijne wang tegen den loop en wachtte onbe-
wegelijk zijn vijand af. Brullend kwam die op hem aan ,
en reeds konden wij tusschen de bloedige lippen de blinkend
witte tanden en onder den dikken pels het vlammend oog
onderscheiden. De buks van den Canadaan volgde langzaam
al zijne bewegingen, en toen de mond van den loop bijna
de ruige haren van zijn kop raakte, knalde het schot. De
kolos stortte neer ; maar , door de vaart van zijn loop mee-
gesleept , zou hij den jager onder zijn zwaar lichaam dood-
gedrukt hebben , indien deze niet, zoodra hij den trekker
had overgehaald , met verbazende vlugheid op zij was ge-
sprongen. De overwinnaar wierp een fleren blik op zijn
in het bloedig zand liggenden vijand, sneed met de behen-
digheid van een geoefenden jager den zwaren klauw van
den grizly bij 't eerste gewricht af, en nam zijn plaats in
de boot weer in.
„Gij zijt een dapper man," zeide het opperhoofd en
drukte den Canadaan de hand. „Ik ken veel wakkere
jagers; maar er is geen onder hen, die wagen zou, wat
gij daar gedaan hebt."
„Het ding moest een einde nemen," was het korte ant-
10