Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
143
toen liet beest, huilend en schuimbekkend van woede, met
hijgenden adem en vlammende oogen nog maar een paar
voet van de, als een bal op het bewogen water op en neer
dansende kano af was, dreunden hunne bijlslagen op den
schedel van den kolos als smidshamers op het aanbeeld.
„Nog eens ! Nog eens ! " riep de Canadaan, „Dat ontuig
heeft een taai leven."
„Stil!" fluisterde het opperhoofd. „De Apachen zijn daar!"
Tegelijk verlichtte eene opflikkering de met bloed geverfde
watervlakte en den hijgenden beer , terwijl de knal van eene
buks ons als de bazuin van het laatste oordeel in de ooren
dreunde. Terstond daarop klonk een wild gehuil van den
oever, waarop de Comanchen , niettegenstaande het dubbele ge-
vaar , waarin wij verkeerden , met hun uitdagend krijgsgeschrei
antwoordden. Evenwel was nog geen van de vijanden te
zien. Daarentegen scheen de woede van den beer door de
bijlslagen, die zijn harden kop gebeukt hadden , nog ver-
dubbeld.
„Moed, mannen, moed!" riep de Canadaan, die met
de Comanchen de verontrustende bewegingen van het zwem-
mend dier bespiedde , dat ieder oogenblik een klauw ophief,
om het zwakke vaartuig naar den grond te halen. „Bij
God, wij zijn hem weer gelukkig ontkomen ! Nog eenige
riemslagen, tot wij op rustig water komen, waar wij onze
buksen kunnen gebruiken."
Er bestoud nu toch geen grond meer, om van onze vuur-
wapens geen gebruik te maken. De Apachen wisten, dat
wij hier waren , en wij moesten ons van den vijand in het
water zien te ontslaan, voordat wij aan verdediging tegen
de vijanden op het droge denken konden.
„Zijt ge klaar?" vroeg de Canadaan, terwijl hij zijne
buks aanlegde. „Gij moet het beest in den muil zien te
treffen. — Vuur!"
Twee schoten werden tegelijk door beide rivieroevers weer-
kaatst ; doch de kano slingerde nog altijd zoo sterk op het