Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
142
De kano naderde nu het eiland. Bij 'tzien der mannen
daarin brulde de beer, wroette met een zijner klauwen den
grond op , deed eene vracht zand in het water neerploffen
en richtte zich langzaam op zijne achterbeenen als tot een
sprong overeind.
Thans had de kano de noodlottige engte bereikt. „Vooruit,
Comanchen !" riep de Canadaan. „Van een forschen riem-
slag hangt licht het leven van negen mannen af."
De onverschrokken Indianen stieten met vaste hand hunne
riemen in het water , om het vaartuig snel vooruit te brengen
en het daarbij zoo ver mogelijk van het dier verwijderd te
houden, dat rechtop stond en besluiteloos scheen, wat te
doen. Nu vloog de kano op een afstand van nauwelijks
drie passen den ruigen beheerscher van het eiland voorbij ,
die nog altijd weifelde, of hij zich daarop zou werpen.
Reeds begon ik hoop te voeden, dat wij het gevaar te boven
waren, toen een van de Comanchen , voordat wij zijn opzet
nog gissen konden, zijn tomahawk neerlegde en den beer
een pijl in het lichaam schoot, die hem zeker tot diep
in de ingewanden drong.
De Canadaan liet een uitroep van gramschap hooren,
terwijl het gekwetste dier zich met razend gebrul, als een
rotsblok , dat van een steilen oever neerrolt, in het water
stortte. Gelukkig waren de beide roeiers niet minder vlug
dan de schutter geweest , en twee krachtige riemslagen deden
de boot met zulk eene vaart voortschieten , dat het dier die
niet meer bereikte, maar met zijne uitgestrekte klauwen
alleen de oppervlakte van het water trof.
„Hoera!" riep ik te midden van het spattend schuim,
dat mij de oogen verblindde; „houdt u braaf, Comanchen!
Dat hadden de flinkste matrozen niet beter kunnen doen.
Nu gauw hier, gij met de bijlen, of anders haalt het
gedrocht ons nog naar den grond."
De vijf Indianen sprongen tusschen de beide roeiers door
naar het achterdeel van 't vaartuig, en op het oogenblik,