Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
141
en des noods den beer te lijf. De ruiters kunnen elk oogen-
blik hier zijn."
De kano werd andermaal in den stroom gedreven en
naderde nu terstond het eilandje, waarop dat vreeselijk
brommen zich nog altijd liet hooren.
Onder andere omstandigheden zouden de Indianen tegen
de ontmoeting met een grauwen beer , niettegenstaande de
sterkte en wildheid van het beest, niet zoo opgezien hebben;
want van hunne jeugd af was de strijd tegen de gevaren
der wildernis hun dagelijksch werk; doch ditmaal werd hun
toestand door de nabijheid der Apachen bij een op zichzelf
reeds zoo gevaarlijken kamp wezenlijk bedenkelijk. Zij
wisten, dat in het geval, dat het dier ons niet rustig
voorbij varen liet, onze buksen van geen nut waren, en
dat de grauwe beer wegens zijn dikken pels om slagen met
den tomahawk en zelfs om messteken weinig geeft. Ook
moest zijn brullen , als hij gekwetst werd, de Apachen aan-
lokken , en eindelijk liep de kano gevaar van bij de minste
aanraking met zijn scherpe klauwen vernield te worden of
om te slaan. Geen wonder dus, dat allen in de grootste
spanning het oogenblik tegemoet zagen, dat hen in de
nabijheid van den vreeselijken vijand bracht. De Comanchen
stonden met opgeheven strijdbijlen voor in de boot, bereid,
den kolos met vijfvoudigen slag te treffen, en de Canadaan
en ik hadden met onze messen in de hand achter hen post
gevat. De kleine boot gleed, door twee krachtige roeiers
gedreven , snel en toch zonder geruisch voort, en het doffe
brommen klonk ons voortdurend in de ooren.
Weldra verscheen het eiland op de donkere oppervlakte
van den stroom , en op dat zandig en rotsachtig eiland werd
een ontzettend lomp, plomp , zwart gevaarte zichtbaar.
„Jezus Maria, wat monsterachtig gedrocht!" kon ik niet
nalaten , met zachte stem mijn makker toe te roepen.
„Wees bedaard!" antwoordde de Canadaan. „In 't ergste
geval hebben wij nog altijd onze buksen."