Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
140
beest in te laten. Verder op kunnen wij dan weer te
water gaan."
„De Comanchen hebben scherpe strijdbijlen en krachtige
armen," antwoordde het opperhoofd, „en de beide blanke
jagers hebben hunne lange messen en hunne vuurwapens.
Ook heb ik wel gehoord, dat de buks van den Canadaan
nooit haar doel mist."
„Dat is waar," zeide de Canadaan. „Als ik op vasten
grond-sta, is mijn schot tamelijk wis; maar in deze schom-
melende boot ben ik niet zoo zeker van mijne zaak. Als
gij dus stellig weet, dat wij dicht bij het beest voorbij
moeten, raad ik zelf aan, het gevaar uit den weg te
gaan; want het schepsel is zeker hongerig, en gij weet
zelf, dat het zelden gelukt, een grizly met éen schot te
dooden."
Het opperhoofd vond goed, onzen raad te volgen, en
liet de kano naar den oever drijven; maar voordat het
gezelschap nog uitstapte , achtte hij noodig, zelf eens hoogte
te nemen. Hij klom dus bij de steilen oever op en kroop
daarop voorzichtig door het hooge gras, dat de aangren-
zende vlakte bedekte.
Onderwijl letten wij scherp op elk gerucht, dat zich
uit de richting , waar wij den beer vermoedden, vernemen
liet. Het was merkbaar , dat hij reeds lucht van het na-
deren van menschen kreeg , want buiten het geweldig snuiven
van zijn neus, hoorden wij van tijd tot tijd het knarsen
zijner geduchte tanden en van zijne klauwen, die over den
rotsgrond van het eiland schuurden.
Op eens kwam het opperhoofd met veel haast terug.
„Weg , weg !" zei hij met zachte stem, zoodra hij de kano
weer bereikt had. „Daar zijn bereden Indianen, die over
de prairie zwerven. Ik heb hen wel niet herkend, maar
't moeten van die honden van Apachen zijn. Zij schijnen
van den kant te komen, waar wij die vuren brandden.
Vooruit! Wij moeten nu naar de bijlen en messen tasten