Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
139
riemen roerloos in de hand hielden, en vermoedde met
recht de nadering van eenig gevaar.
De rivier , die daar , waar hij was ingeslapen , door de
vlakte stroomde , was hier , waar hij wakker werd , tusschen
twee tamelijk hooge oevers ingeklemd. Ook was het on-
derwijl donker geworden. Daar hij intusschen niets verdachts
bemerkte, vroeg hij : „ "Wat is er ? Waarom hebt gij mij
gewekt?"
Een langer brommen, bijna als het geluid , dat een
blaasbalg maakt, bespaarde den Indiaan het antwoord en
gaf ook mij de overtuiging, dat een grauwe beer in de
nabijheid was. Zoo zou ik dan andermaal den geduchten
vijand ontmoeten, wien ik twee dagen te voren zoo met
moeite ontsnapt was ?
„Zoo, is het een van die sinjeurs ?" zei de Canadaan
vrij onverschillig. „Maar wat is daaraan gelegen? Laat
ons vlug doorroeien, en dan zal 't schepsel ons wel met
rust laten."
„Wij kunnen hem tegen zijn wil niet voorbij komen,"
antwoordde het opperhoofd. „Achter deze kromming is de
rivier zeer smal, en het beest houdt een klein eilandje
midden in de stroombedding bezet. Wat ik eens gezien
heb , vergeet ik niet weer, en zoo ken ik ook hier alle
kronkels en bochten."
Intusschen was de boot, zich in een kring ronddraaiend,
door den stroom verder gedreven, en daar men, voordat
men zich in deze gevaarljjke engte waagde, een bepaald
besluit moest nemen, liet het opperhoofd de kano weer een
eind stroomop roeien. Terwijl dit geschiedde, zeide ik tot
hem: „Wij durven hier van onze buksen geen gebruik
maken, anders konden wy in 't voorbij varen ons best doen ,
om den vijand een kogel in den kop te schieten. Zooals
't nu is , kon een enkel schot ons aan de Apachen verraden.
Ik zou dus voorstellen, aan land te gaan en de kano op
de schouders te nemen, liever dan ons met dat gevaarlijke