Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
138
opperhoofd mij : „Wij naderen nu het jachtgebied onzer
doodsvijanden, de Apachen. Misschien zijn zij al op ons
spoor of hebben zich langs de rivier in hinderlaag gelegd.
In allen gevalle moeten -mj op onze hoede zijn. Ik zal
achter deze heuvels op eenigen afstand van elkaar vuren
laten aanleggen. Als de Apachen den rook zien, zullen
zij eenigen tijd verliezen met een middel uit te vinden, 01»
ze zonder gevaar te naderen, en in dien tusschentijd kunnen
wij mogelijk een goed eind vooruit komen."
Dit plan werd zonder verwijl uitgevoerd. De vm-en
werden aangelegd achter struiken en kleine heuvels, die
alleen den rook en den weerschijn zien. lieten, maar de
vlam zelve verborgen ; daarop werd de kano weer te water
gebracht, en twee Comanchen wisselden elkaar telkens bij
de riemen af. Ik gebruikte dezen tijd, om mij op den
bodem der kano uit te strekken en eenige oogenblikken te
slapen. De Canadaan volgde mijn voorbeeld. Hoe moe ik
echter ook was, zoo kwam toch geen wenk in mijne oogen,
maar hield een donker voorgevoel van een onbekend gevaar
mij voortdurend wakker.
Eeeds lang waren de tot misleiding van den vijand aan-
gestoken vuren in de verte verdwenen. Terwijl de Canadaan
in vasten slaap lag en twee van de Indianen zwijgend roei-
den , zat het opperhoofd achter in het vaartuig en liet zijne
scherpe oogen overal ronddwalen. Eenige uren lang liet
zich geen ander geluid vernemen, dan het ruischen van
het riet langs den oever en het plassen der riemen in het
water. Op eens echter verried mij de houding van het
opperhoofd , dat hij iets buitengewoons vernam. Inderdaad
liet zich voor ons uit eene soort van dof gebrom hooren,
dat midden uit de rivier scheen te komen. Het opperhoofd
gaf den beiden roeiers een wenk, om op te houden , en
boog zich over het lichaam van den Canadaan , die, toen
hij voelde, dat men zijn schouder aanraakte, de oogen
opende en rondkeek. Hij zag , hoe de beide Indianen de