Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
137
dichte wolken uitblies, kwam 't mij van tijd tot tijd voor,
dat de geur van gebraden vleesch mij in de die begeerig
opsnuivende neusgaten drong. Het duurde dan ook niet
lang, of een der Indianen stond op en knielde eenige passen
van het vuur op eene plaats neder , waar de grond eerst
voor kort scheen opgegraven. In de grootste spanning
volgde ik al zijne bewegingen en zag nu, hoe hij de aarde
met zijn mes opwoelde. Spoedig was 't geen verbeelding
meer: een balsemieke geur, liefelijk en doordringend tevens,
steeg uit de gemaakte opening op.
Op hot oogenblik , dat de Indiaan een zwarten, half ver-
branden klomp uit den kuil ophaalde en dien van het verkoolde
omkleedsel ontdeed , stiet ik het gehuil van een wild dier
uit en werd toen bijna onmachtig van blijdschap bij 't zien
van een waren berg van vleesch, dat geurig en saprijk als
het rozekleurig vleesch van een watermeloen voor mij lag. De
wilde kok legde het in zijne bruine korst op het gras neer,
en nu kwamen de andere mannen , die ook in langen tijd
niets schenen gegeten te hebben, met hunne scherpe mes-
sen toe.
De buffelsrug met zijn bult, dien do Indiaan uit de onder-
aardsche kookkachel voor den dag haalde, had door zijn
huidomkleedsel en dan door de aarde zelve zijne gansche
smakelijkheid behouden en leverde een maaltijd , als geen
koning beter wenschen kon. Het gansche gezelschap viel
er dan ook gretig op aan en verslond eene menigte vleesch ,
waaraan in Europa veertig grage magen genoeg gehad
zouden hebben.
Na afloop van dezen maaltijd legden wij ons in het gras
neer en sliepen rustig tot het aanbreken van den dag.
Toen gingen wij op weg en kwamen tegen den middag aan
eene rivier , aan wier oever wij eene uit buffelshuiden ver-
vaardigde kano vonden, tot wier bewaking een Comanche
en een Canadaansche jager waren achtergebleven. Hier
scheepten wij ons in ; maar voordat wij afstieten , zei het