Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
136
Ik werd wakker, toen het nog niet dag was , en keek
dadelijk naar beneden. Daar lag nog altijd eene zwarte
massa , maar ik kon niet onderscheiden, wat het was. Toen
eindelijk de morgen aanlichtte , zag ik met blijde verrassing ,
dat de beer met het paard , met zadel en toom verdwenen
was. De zwarte massa, die mij schrik aangejaagd had,
was het geronnen bloed van mijn paard , waarmede de grond
bedekt was.
Een akelige dag volgde op dezen akeligen nacht. Hon-
ger , dorst en gruwelijke vizioenen van beren , die achter
alle boschjes schenen te loeren , lieten mij geen oogenblik
rust, en daarbij was ik reeds in die mate uitgeput, dat ik
mij nauwelijks meer voortslepen kon. Tegen zonsondergang
zag ik achter een kreupelbosch eene rookzuil opstijgen.
Hoewel 't allerwaarschijnlijkst was, dat die rook uit eene
Indiaansche legerplaats opsteeg, aarzelde ik toch geen
oogenblik, er op los te gaan, daar 't ergste, dat ik er te
wachten had, altijd nog beter was, dan het doodhongeren,
dat ik zonder hulp niet ontgaan kon.
Uit het boschje tredende, zag ik zes Indianen , die rondom
een vuur zaten , doch zonder eenig spoor hoegenaamd van
een maaltjjd. Bitter teleurgesteld ^vilde ik weer wegloopen;
doch de valkenoogen der wilden hadden mij reeds bemerkt,
en een hunner , die naar zijn tooi het opperhoofd moest zijn,
gaf mij een gebiedenden wenk om nader te komen. Ik zag
nu, dat het Comanchen waren, trad onbevreesd aan hun
vuur en legde mij daarbij neder. Daar hunne natie voor
het oogenblik met de blanken verbonden was, namen zij
mij vreedzaam op , vroegen in de Spaansche taal naar het
dool mijner reis, en verzekerden, toen ik het Buffelsmeer
noemde, dat ook zij derwaarts op weg waren. Hierop
reikten zij mij eene pijp met tabak, die met sumachbladen
vermengd was , en vlijden zich weer op hun gemak in het
gras neer.
Terwijl ik, om mijn leege maag t& paaien, den rook in