Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
134
weer noodzaakte, langzamer te rijden, vertoonde zich ook
de beer weer, die den gelijkmatigen draf, dien hij eenmaal
had aangenomen , onveranderlijk volhield.
Op den dag was de nacht gevolgd, en een tijd lang was
mjjn grimmige vervolger in de donkerheid verdwenen, toen
op den witten kalkachtigen bodem der vlakte nog eenmaal
een ontzettend zwart lichaam verscheen , welks gelijkmatige
gang en schorre stem niet te miskennen waren. Dit was
dan nu ook de laatste maal geweest, dat ik mijn vijand
uit het gezicht verloor ; want van nu af bleef hij altijd dicht
achter mij, als eene ster, welke men, hoe groot ook de
snelheid zij , die men aanwendt, om haar voorbij te komen,
steeds op dezelfde plaats aan den hemel ziet, of als de
schaduw, die het vluchtend lichaam volgt. Daarbij werd
de ruimte, die ons scheidde , al kleiner; want de beer had
zijne snelheid niet verminderd , terwijl die van mijn paard
met de minuut afnam. Reeds bedekte dicht schuim zijne
flanken, zijn adem drong met moeite door de door den
angst verwijde neusgaten , en zijn tred werd onzeker.
Twee uren verliepen zoo, twee uren, waarvan iedere
minuut mij een uur scheen te zijn, tot eindelijk mijn wakker
dier , door de bovenmatige inspanning en den angst uitgeput,
niet verder kon en neerstortte.
Ik had dezen val voorzien en sprong nog even tijdig
uit den zadel, zoodat ik, toen het paard viel, naast dit
op mijne voeten stond. Een gelukkig toeval wou, dat ik
slechts een paar passen van een ahornboom verwijderd was.
Dezen beklauterde ik , meer uit instinct, dan uit overleg ,
met verwonderlijke vlugheid, en mijne hielen waren reeds
op eenigen afstand van den grond, toen de beer , die ken-
nelijk den mensch boven het dier verkoos, zich op zijne
achterpooten oprichtte en met zijne geduchte tanden, die even
hard en lang als mijne sporen waren, deze laatste raakte.
Toen ik dezen aanval heelhuids ontkomen was, dacht ik
eensklaps aan de behendigheid, waarmee beren de boomen