Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
133
of wortels zocht, om mijnen woedenden honger te stillen,
vond dat hier gras, dat bijzonder frisch en sappig was.
Daar op eens ontdekte ik op een afstand van twee buks-
schoten een dier, dat mij naar zijne grootte een buffel scheen
te zijn. De donkerheid begon zich al over de aarde uit te
breiden , en reeds dankte ik den hemel voor het gelukkig
toeval, dat mij nog zoo laat een tot hiertoe te vergeefs
gezocht dier tegemoet voerde , toen een vreeselijk brullen
mij op eens uit dien zoeten droom wekte. Ik sprong op
en zag tot mijn schrik , dat de gewaande buffel een beer
van kolossale grootte was. Door eene verandering, als
in het leven meer voorkomt, word uit den jager nu plot-
seling een wild. Van de kracht en onkwetsbaarheid van
den geduchten beheerscher der steppe had ik al veel gehoord;
nu zou ik ook in de gelegenheid komen , om de snelheid
van dit schijnbaar zoo plompe en logge dier te leeren kennen.
Ik had mijn paard met een langen, sterken riem aan een
boom gebonden en zag, hoe het steigerde en zich los zocht
te rukken. Zoo vlug , als mijne zwakte maar toeliet, liep
ik dus op hem toe en schoot, voordat ik mij in den zadel
beurde, mijne buks op den beer af, die onderwijl reeds
vrij dicht bij was gekomen. De kogel, die op de ruige
vacht afstuitte , had op het monster geen andere werking ,
dan die van een spoorprik in de zijden van een paard , want
hij vermeerderde zijne woede en snelheid slechts. Ik had
pas nog tijd, om op mijn paard te komen en den riem ,
die het vasthield, door te snijden, en toen werd de jager
door het wilde dier gejaagd.
De beer was door dezen triomf van zijne eigenliefde
geenszins bevredigd, maar volgde mij in zijn schijnbaar
tragen, in werkelijkheid zeer vluggen draf met eene snelheid,
die hem voortdurend dicht achter mij deed blijven. Soms
wel raakte ik door den versnelden galop van mijn paard
zoo ver vooruit, dat ik mijn vervolger uit het gezicht ver-
loor ; maar zoodra de vermoeidheid van mijn ros mij dan