Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
128
van de grootsten, nam een daarvan en verv^ijderde mij toen,
opdat hij de andere zou nemen. Terwijl ik de melk dronk
en een deel van de kern at, deed Peter datzelfde en keek
mij daarbij recht verstandig aan. Toen het tijd voor mij
werd om te gaan, kwam ik op den gekken inval, om den
hoed voor hem af te nemen en eene diepe buiging voor
hem te maken. Eerst scheen hij niet te weten, wat daarvan
te denken ; maar spoedig vond hij een uitweg. Hij rukte
eenige pisangbladen af, knutselde daar met verwonderlijke
vlugheid iets, dat het fatsoen van een hoed had, van,
drukte dat ding op zijn kop en maakte nu met bespottelijken
ernst op zijne beurt eene diepe buiging voor mij. Zoo
verdween voor en na alle misti-ouwen tusschen ons, en ein-
delijk kwam Peter zonder het minste teeken van vrees op
mij toe.
Toen ik op een avond weer op het gewone imr het bosch
inging, kwam Peter mij met blijde gebaren te gemoet,
greep mijne hand en zocht mij dieper het woud in te trekken.
Eerst maakte ik zwarigheid, hem te volgen, daar hij mij
licht bij eene groote apenkudde kon brengen, tegen welke
ik mij niet verdedigen kon. Na eenig beraad ging ik echter
mee , en nu bracht hij mij door een dicht kreupelbosch bij
eene groep fraaie kokosboomen , in welker midden eene
nog niet voltooide ruwe hut van takken en bladen stond.
De goede Peter scheen met zijn werk uiterst ingenomen
en liet den fijnen , gerekten toon hooren, waardoor apen
hunne voldoening plegen uit te drukken. Op eens echter
werd hij stil en bedrukt, daar hij scheen te bemerken , dat
ik niet zonder mij diep te bukken in zijn hutje kon komen.
Boos, dat dit niet goed was, pakte hij de takken, die den
voorwand van de hut vormden, scheurde ze weg, bracht mij
naar eene plaats , waar nog meer ontbladerde takken lagen,
duwde mij daar eene vracht van onder den arm en nam
zelf zoo veel, als hij dragen kon. Toen zocht hij aan den
ingang de vereischte grootte te geven, en daar ik hem