Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
125
Tot ons geluk was majoor Eogers echter in de nabijheid.
Hij sprong midden tusschen de olifanten , schoot den naasten
rechts , dien hij op slurflengte naderde , een kogel in het
oor, en trof toen met den anderen loop dien links in de
slapen. Beiden ploften , terwijl de overige dieren verschrikt
vluchtten, met een dof kreunen neer en hun val gaf een
dreun , als van twee verre kanonschoten. Dienzelfden dag
doodde majoor Rogers nog een olifant, die bij 't vallen een
naast hem loopend jong dood drukte, zoodat op éen schot
twee dieren vielen. De prins geraakte dien dag zelf in
dreigend levensgevaar , daar een driemaal in den kop ge-
schoten olifant in volle woede op hem los kwam. Gelukkig
werd het razend dier, voordat het den prins bereikte,
door een vierde schot ter aarde geworpen. Daar op deze
jacht verscheiden olifanten zwaar gekwetst waren geworden,
ging ik den anderen morgen met een van de jagers uit,
om de dieren op te zoeken , die in den nacht aan hunne
wonden gestorven waren. Stil en zwijgend reden wij , toen
de zon pas was opgekomen, op smalle, bochtige paden
door het woud. Onze bruine wegwijzer stond dikwijls stil
en nam eeri zijpad, om ons niet met eene groote kudde
in aanraking te brengen. Wij moesten nu wijde omwegen
maken, om de plaats te bereiken, waar wij de gevelde
dieren vermoedden. Eindelijk vonden wij bij een kleinen
waterplas een zwaren olifant. Rondom was de grond met
geronnen bloed bedekt, en aan slurf en muil, de eenige
aantastbare deelen , zagen wij de sporen van de tanden en
klauwen van bloeddorstige luipaarden. De gedoode olifant
had zeer korte, rechte stoottanden , waarvan wij met onge-
loofelijk veel moeite éene loskregen. Dat werk kostte ons
meer dan anderhalf uur tijds en wij werden er zoo met
zweet en bloed bij bedekt, dat wij meer van wilden , dan
van geciviliseerde Europeanen hadden."