Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
aanvoerder van den ganschen troep , de quitanties voor de
hem overgeleverde sommen en riep daarbij bij herhaling de
maagd Maria en andere heiligen om hulp en bijstand op
zijne gevaarvolle reis aan. Met gretige oogen loerde intus-
schen het volk naar de twee millioenen , die men zoo aan
alle kansen en toevallen van een lang en moeilijk vervoer
prijs gaf, en de meesten der in lompen gekleede toeschouwers
deden ook volstrekt geen moeite, om hunne begeerigheid
te verbergen.
„Och," zeide een lepero , terwijl hij de gescheurde deken
over zijne met lidteekens bedekte borst trok , „als ik nog
maar een paard had , zooals dit heerschap hier rijdt !"
De lepero keek hierbij naar een man met een door de
zon verbrand gezicht , die een gitzwarten hengst reed. Het
vurig dier kauwde ongeduldig op zijn gebit en wierp rechts
en links witte schuimvlokken van zich. Ik kon niet nalaten,
de schoonheid van dit dier en de zorgeloosheid van zijn
ruiter te bewonderen, die het, als alle Mexicanen, alleen
met de onweerstaanbare kracht van zijn wil scheen te
regeeren.
„Nu, Gregorito, wat zoudt gij dan doen ?" vroeg den
lepero een zijner kameraden.
„Ik zou met het transport tot een punt van den weg ,
dat ik ken , meegaan , en 't fortuin moest mij al erg tegen-
loopen, als ik dan niet eene of twee muildïersladingen aan
een kant bracht."
„Eene of twee ladingen !" riep de ander verbaasd.
„Ja, en misschien wel drie. Ik ben van mijn leven niet
onbescheiden of hebzuchtig geweest; maar die heer daar
schijnt dat nog minder dan ik."
De ruiter scheen inderdaad slechts minachtende blikken
op de lastdieren te werpen , en zijne effen wezenstrekken
vertoonden geene andere uitdrukking dan die van volslagen
onverschilligheid.
Intusschen had een eskadron lansiers, dat het transport