Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
123
en dieren dikwijls den hoogsten graad. Eens kwamen twee
drijvers met hunne dieren, van welke 't een groot en sterk,
het ander klein en zwak was , bij den grootsten dezer wa-
terputten aan. De kleinste olifant droeg met zijn 'slurf een
emmer, hem door zijn meester meegegeven, terwijl de drij-
ver van den zwaarsten dit noodig vaatwerk vergeten had.
Op eens ontrukte de groote, 'tzij op een wenk van zijn
drijver of uit eigen aandrift, den kleine zijn emmer. Deze
kende zijne zwakheid te goed , om de hem aangedane belee-
diging terstond te willen wreken; hij wachtte dus bedaard,
tot zijn vijand aan den rand van den put stond , deed toen
eenige stappen achteruit, wierp zich niet al zijne kracht
op den volstrekt geen erg hebbenden kolos on deed dezen
in den put neertuimelen. Deze stoute daad bracht bij de
talrijke ooggetuigen eene groote ontsteltenis en verslagenheid
te weeg. Vooreerst was te vreezen , dat de put, van wiens
behoud het leven van zoo vele menschen afhing, door het
groote dier zou vernield worden, en dan verder zag men
volstrekt geen kans, om den olifant uit den kuil, die op
zijn minst twintig voet diep was,, te krijgen, te minder,
daar die volstrekt geen lust scheen te hebben , om het koude
water te verlaten. Eindelijk kwam iemand op den inval ,
dat de fascinen of takkebossen, welke men bij het beleg
gebruikt had, als ze door den olifant regelmatig op elkaar
werden gelegd, dezen een goed middel, om zoetjes aan
weer uit den kuil op te komen , aanbieden moesten. Toen
men vergunning had bekomen , om de takkebossen tot dit
einde te gebruiken, kwam het er op aan , den olifant de
zaak onder 't verstand te brengen. Dit gelukte den drijver;
het schrander dier legde de fascinen, die men hem toewierp,
netjes op elkaar en kwam op die wijze langzamerhand al
hooger en hooger. Daar op eens echter bedacht hij zich;
om het koele water niet weer te moeten verlaten, hield hij
op met arbeiden , en alle bedreigingen van zijn drijver bleven
vruchteloos. Eindelijk begon deze het dier te vleien, en