Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
117
slangen zijn de zweepslang en de grasslang ; de vreeselijkste
van alle is echter de cobra manilla, die ongeveer twee
voet lang en van den kop tot den staart even dik is. Hare
kleur is een roodachtig zwart. Haar beet veroorzaakt bijna
oogenblikkelijk den dood, en men kent geen voorbeeld, dat
een door haar gewond mensch gered werd.
Wat de slangen voor de bosschen, dat zijn de alligators
voor de stroomen van het eiland. Door deze vraatzieke
dieren , die hier eene lengte van twintig tot vijf en twintig
voet bereiken, worden jaarlijks veel menschen gedood, hoe-
wel Europeeërs en inlanders aanhoudend jacht op hen maken.
De rijkdom van Ceylon's dierenwereld openbaart zich ook
op eene, vooral voor Europeanen zeer gevoelige wijze in
de ontzettende zwermen van het lastigst ongedierte , waar-
onder vooral ratten, kikvorschen, padden , hagedissen,
bloedzuigers, spinnen, schorpioenen, mieren en muskieten
te noemen zijn. De ratten bereiken hier niet zelden de
grootte van onze katten en zijn zoo talrijk, dat het de
grootste moeite kost, de levensmiddelen aan hare roofzucht
te onttrekken. Onder de hagedissen is eene groote soort
van vier tot vijf voet lengte, die er zeer leelijk uitziet,
maar den mensch geen leed doet en door de inboorlingen
voor zeer smakelijk wordt gehouden. Eene erge plaag voor
alle reizigers zijn de kleine bloedzuigers , die in de bosschen ,
vooral gedurende den regentijd, in overgroote menigte voor-
komen. Zij zijn niet grooter dan een stopnaald en van
donkerroode, gespikkelde kleur; zij bewegen zich niet krui-
pend , maar springend voort, daar zij , kop en staart samen-
trekkend , in de hoogte wippen , en zij komen op deze wijze
zoo snel vooruit, dat de reiziger , voordat hij het zelf merkt,
geheel met die kleine springers bedekt is. Meer nog dan
de menschen hebben de paarden van deze leelijke dieren
te lijden , schoon reeds veel reizenden door hen hun leven
verloren, daar zij in den slaap door hen overvallen werden
en dan dood bloedden.