Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
116
daten met hunne roode rokken staan dus meer dan anderen
aan hunne aanvallen bloot.
Behalve de olifanten en buifels herbergen de bosschen
van het binnenland ook tijgers , luipaarden, sjakals en wilde
zwijnen in grooten getale ; beren en hyena's zijn zeldzamer,
maar toch ook in het noordoostelijk deel des eilands te
vinden. Onder al deze dieren worden de wilde zwijnen door
de inboorlingen het meest gevreesd, daar zij met ontzet-
tende woede op alles, wat hun in den weg komt, aanvallen.
Het vellen van een zwijn wordt dus als eene bijna nog
grooter heldendaad, dan dat van een tijger beschouwd. De
tijger van Ceylon is trouwens ook aanmerkelijk kleiner en
minder wild en bloeddorstig , dan de koningstijger van het
vasteland.
Onder de tallooze apen van het eiland munten vele door
hunne kracht en grootte uit, zoodat ook zij, in grooter
getale bij elkander zijnde, voor den mensch gevaarlijk
kunnen worden.
Het gevaarlijkst zijn nogtans voor den reiziger de giftige
slangen, die men overal op het eiland aantreft. Onder
haar is allereerst de cobra capella of brilslang te noemen,
die eene lengte van acht tot twaalf, soms zelfs van vijftien
voet bereikt. Zich tot den aanval gereed makende , beurt
zij den kop en het bovenlijf drie tot vier voet in de hoogte
en rolt, om de kracht van haar sprong te vermeerderen,
het verdere deel van haar lichaam samen. Op dit oogen-
blik zet zich aan haren kop een vel , in de gedaante van
een hoed, uit, waarnaar men haar ook wel de hoedslang
pleegt te noemen, en waarop eene witte streep in den vorm
van een bril zichtbaar is. Haar beet is nagenoeg altijd
doodelijk , hoewel toch de inboorlingen een tegengift kennen,
dat intusschen slechts dan werkt, als het terstond na den
beet wordt aangewend. Opmerkelijk is de liefde van de
brilslang tot de muziek, die dan ook door de slangenbe-
zweerders tot hare temming gebruikt wordt. Andere giftige