Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
113
grootste snelheid in de diepte neerdalen en het daar twee
tot drie minuten uithouden kon. Hoewel nu echter de li-
chamelijke pijn was opgehouden , zoo kwelde mij toch nog
de angst voor de tallooze gevaren, die den duiker bestendig
omringen, en 't zien van den eersten haai, die mij naderde,
joog mij zulk een schrik aan, dat ik verscheiden dagen niet
weer aan duiken durfde denken. Intusschen werd ik mijn
angst toch meester, en daar mijne kameraden mij verze-
kerden , dat men met een korten, aan beide einden pun-
tigen stok iederen haai onschadelijk kan maken, waagde ik
mij ook al spoedig weer in zee. Reeds na korte weken
zou ik gelegenheid hebben, om de deugd van dit wapen
te beproeven. Toen ik namelijk op een morgen met de
opgezamelde schelpen opdook en bijna boven water was,
bemerkte ik met ontzetting een haaivisch, die pijlsnel op
mij kwam toeschieten, 't Verscheelde weinig, of de schrik
had mij ten volle verlamd; maar toch kreeg ik nog tijdig
mijne tegenwoordigheid van geest terug, en op 'toogenblik,
dat het monster zich op den rug omwentelde en naar mij
snapte, duwde ik hem mijn stok in den schrikbarenden
muil, zoodat de eene punt naar boven, de andere naar
beneden kwam te staan. Toen nu het dier den bék sloot
en de scherpe punten iii het vleesch indrongen, zweepte
het in zijne woedende pijn het water, terwijl ik zonder
verdere aanvechting het strand bereikte. Van toen af werd
mijn angst voor de haaien bij den dag minder, daar ik wist,
dat een vastberaden man hun zoo gemakkelijk den mond
kan stoppen, en later heb ik vaak met alle bedaardheid
mijne schelpen geraapt, terwijl het water om mij toe van
zulke slokoppen wemelde.
Eens evenwel was ik bijna het offer van mijne doldriest-
heid geworden. Ik was ondergedoken bij eene rots, die
rijk aan schelpen scheen te zijn , maar bij nader onderzoek
tot de overtuiging gekomen, dat ik er weinig opdoen zou.
Juist wilde ik weer naar boven gaan, toen ik tot mijn niet