Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
helft in zee neer, zoodat, als de eerste vijf opkomen, de
andere vijf naar de diepte gaan.
Om de duikers sneller te doen dalen, heeft men op iedere
boot vijf groote, langwerpige steenen van rood graniet, die
boven en beneden afgerond en aan de smaller zijde doorboord
zijn. Door het gat is een lang touw getrokken, welks eind
aan den bootsrand is vastgemaakt. Als de duiker gereed
is , om zich in de diepte neer te laten, grijpt hij het touw,
waaraan een van die steenen hangt, met den teen van zijn
rechter voet, terwijl hij een zak van netwerk met den
linker teen pakt. Indianen en Negers weten namelijk met
hunne teenen bijna even vlug als met de vingers te ar-
beiden en zijn daar zoo in geoefend , dat zij ook het kleinste
voorwerp met de teenen van den grond oprapen kunnen.
De duiker vat nu met de rechter hand een ander touw,
knijpt met de linker de neusgaten toe, laat zich in het
water neer en bereikt met behulp van den steen spoedig
den bodem. Hierop hangt hij zich het net om den hals
en verzamelt met groote snelheid zoo veel schelpen, als hij
maar bijeen kan rapen. Gewoonlijk kan hij het om de twee
minuten onder water uithouden , schoon er ook duikers zijn
geweest, die vier tot vijf minuten onder bleven. Zoodra
hem de adem begeeft, neemt hij zijne vroegere houding
weer aan, geeft door een ruk aan het touw aan het volk
in de boot een sein, en wordt ijlings in de hoogte ge-
trokken en aan boord gehaald. Den steen heeft hij vooraf
losgelaten, en deze wordt nu door middel van het er aan
vastzittend touw opgehaald.
De inspanning, die deze korte arbeid den duikers kost,
is zoo groot, dat hun, als men hen in de boot brengt,
niet zelden het bloed uit mond, neus en ooren vloeit. Dit
weerhoudt hen echter niet, als de beurt weer aan hen komt,
op nieuw onder te duiken. Zoo laten zij zich op een dag
veertig- tot vijftigmaal neer en halen bij iedere onderdui-
king wel ongeveer honderd schelpen op. Sommigen wrijven