Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
105
allerlei slangen bevatten, terwijl de rivieren van krokodillen ,
de meest verschillende soorten van visch en watervogels
wemelen.
De inwoners van Ceylon, naar den ouden naam van het
eiland Singaleezen geheeten , zijn Buddhaïsten en komen in
hun uitzien, evenals in taal en zeden met de Hindoes van
het vasteland van Oostindië overeen. In de wildste streken
van het binnenland leeft nog een andere stam, de Wedda's,
die van akkerbouw noch veeteelt weet en zich eenvoudig
met wilde vruchten en de opbrengst der jacht voedt. Terwijl
de Singaleezen reeds voor de aankomst der Europeanen een
tamelijk hoogen graad van beschaving hadden bereikt en
tegenwoordig door het langdurig verkeer met hunne hoeren,
de Engelschen, al de voordeden der Europeesche cultuur
genieten, vertoont zich bij de "Wedda's nog geen spoor van
eene beginnende civitisatie. Behalve een stuk boomwollen
stof, dat zij om de heupen binden, dragen zij volstrekt
geen kleeding; zij bezitten geen hutten, maar slapen onder
den blooten hemel of, als zij den aanval van wilde dieren
duchten , op boomen , welke zij met de vlugheid van apen
beklauteren; zij hebben niet eens namen en kunnen niet
boven de vijf tellen. Nog treuriger is het ten opzichte van
hunne zedelijkheid gesteld, daar zij volstrekt geen onder-
scheid tusschen goed en kwaad schijnen te kennen en van
God en een toekomstig leven hoegenaamd geen begrip hebben.
In het midden klimt het eiland van de vlakker noordkust
tot een gebergte op , welks hoogste spits , de Adamspiek,
zich bij de zeven duizend voet hoog verheft en welks zuide-
lijke rand steil naar den Indischen Oceaan afvalt. De hoogste
top van de Adamspiek is de vermaardste bedevaartsplaats
der Buddhaïsten en wordt jaar op jaar door vele duizenden
vrome pelgrims bezocht.
„Nadat wij," verhaalt de Engelsche arts Davy, „onze
paarden in Parabatula, de laatste bewoonde plaats op den
weg naar de Adamspiek, hadden achtergelaten en op eene