Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
102
waarin wij geraakt zijn, ook haren loop naar den oever
neemt."
Met deze woorden wierp hij een stuk droog hout in het
water en volgde dat met de oogen. Het hout draaide eenige
malen, alsof 'tzinken wou, in een kring rond en dreef toen
naar het midden van den stroom af. De jagers knikten
elkaar toe; hun eilandje verwijderde zich insgelijks van den
oever; het nevelgordijn werd rechts en links al dichter, en
spoedig bevond men zich weer in het midden der rivier,
waar een sterker strooming het vreemde vaartuig met snel-
heid voortstuwde.
Zoo verliep onder bange dobbering tusschen vrees en hoop
wel nagenoeg een uur; toen verloren de Indiaansche wacht-
vuren zich in de verte. De Canadaan vatte nu post op
het achtereind van het eiland en begon met een sterken
tak krachtig te roeien; zijne makkers deden op beide zijden
hetzelfde, en zoo hadden zij weldra een aanzienlijken af-
stand afgelegd.
„De dag zal gauw aanbreken ," zei eindelijk de Canadaan.
„Wij moeten nu op den zuidelijken oever landen en onze
beenen gebruiken, daar wij te voet eens zoo snel overweg
komen als op dit vlot." Daar zijne makkers dit ook
begrepen, stuurde hij het vaartuig langzaam naar don
oever. Na verloop van een kwartier lag het eiland daar
stil; de drie mannen sprongen er af, maar bleven, om
geen spoor achter te laten, in het ondiepe water staan.
„God zij gedankt voor zijne genade !" zeide de oude reus,
terwijl hij eerbiedig zijn grijs hoofd ontblootte en zijnen
vrienden hartelijk de handen drukte. „Wij moeten echter
nog eenige voorzorgen nemen," vervolgde hij. „Allereerst
moeten wij dit vlot, dat ons ioo goed gediend heeft, geheel
vernielen en de stukken aan den stroom overlaten; want
anders brengt het de roodhuiden zeker weer op ons spoor."
Terstond gingen de drie aan het werk. Het drijvend
eiland was reeds door het wegrukken van den wortelstam,