Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
slechts als sterren, die bij de verschijning van het morgen-
rood verbleeken. Op deze zijde was het gevaar minder
groot en het uitzicht, om aan de blikken der Indiaansche
wachten te ontgaan , bijna zeker ; doch een ander gevaar
hing nu den drie jagers boven het hoofd. Het vlottend
eiland, hoe zacht ook op het water voortdobberend, volgde
den stroom toch slechts , als het om zichzelf ronddraaide,
't Was dus te vreezen, dat het bij die bestendige draaiingen
de goede richting verliezen en eindelijk op den oever stranden
zou. Rechts en links , de verbitterde Indianen waren overal.
Als de matrozen van een van zijne masten en zijn roer
beroofd schip , dat door de golvende zee naar het rif wordt
gedreven , om daar verpletterd te worden , zoo volgden de
drie jagers met bangen blik den onzekeren loop van het
eiland. „Moed maar !" zei de Spanjaard. „Zoolang wij de
boomen aan den oever nog niet zien kunnen , gaat alles goed."
„Ik vrees, dat wij die spoedig zullen zien," antwoordde
de Canadaan en wees met de hand naar den zuidelijken
oever. En werkelijk was het , alsof hier de toppen der
boomen in verbreede omtrekken door den nevel heen sche-
merden. „Ja, ja," ging de oude zuchtend voort; „wij
raken den koers kwijt. Ook kunt ge aan de vuren rechts
en links zien, hoe kort de weg is , dien wij in een half
uur afgelegd hebben."
Intusschen naderde het vlot meer en meer den oever.
Een van de vm-en , die voor kort nog zoo flauw in den
nevel glommen, verkreeg allengs een grooter lichtkring,
en weldra kon men een van de Indiaansche wachters onder-
scheiden , die in zijne krijgsdracht onbewegelijk bij het vuur
stond. De lange maan van een buffel bedekte zijn hoofd ,
waarop als een Romeinsch helmsieraad een hooge vederbos
wuifde.
De Canadaan wees op dien op zijne lans geleunden krij-
ger. Gelukkig was de nevel zoo ondoorzichtig , dat de
Apache , dien slechts het vuur zichtbaar deed worden, den