Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
99
oevers voort. „Schreeuwt gij maar!" riep de Canadaan;
„wij voor ons hebben hier wel wat beters te doen." En
met deze woorden liet hij zich voorzichtig in het water
neerzakken, dook onder en kwam na eene poos aan de andere
zijde weer boven. Nadat hij dit meermalen in de gansche
lengte van het eiland herhaald had, zeide hij: „'t Is net
zoo , als ik dacht; maar een stam houdt ons vast, en als
ik dien los kan krijgen , gaan wij drijven." Nu dook hij
nogmaals onder en de stroom ruischte over zijn hoofd heen.
Een vrij lange tijd verliep , gedurende welken het eilandje ,
als een schip op holle zee, tot in zijne grondvesten trilde.
De beide mannen voelden, dat de reus een geweldigen, laat-
sten ruk deed, en daarop hoorden zij een dof kraken, als
dat van de ribben van een schip , dat op eene zandbank
stoot. Een oogenblik later kwam de Canadaan weer boven
met druipende haren en een gezicht, vuurrood van 'them
naar het hoofd gestegen bloed. Met een sprong was hij op
het eilandje, dat zich langzaam om zichzelf begon te draaien
en daarop zachtjes de strooming volgde. Een ontzettende
wortel had zich diep in de rivierbedding vastgewoeld , maar
was uitgeweken onder de geweldige vuisten van den kolos,
wiens kracht door de vertwijfeling vertiendubbeld werd.
„God zij gedankt!" hijgde deze; „'t eenig anker, dat
ons vasthield , is gelicht en wij zijn vlot.. Nu ligt ons lot
verder in Gods hand. Als ons schip goed midden in den
stroom blijft, zullen wij onder bescherming van den nevel
spoedig buiten 't bereik van die loerende duivels zijn. O
God, nog eenige uren nacht , en wij zijn gered !"
De drie jagers zwegen; daarop volgden zij met onrustige
blikken de bewegingen van hun vlottend eiland. Wel moest
de dag spoedig aanbreken; maar bij de koude van den
nacht, die gewoonlijk een of twee uren voor zonsopgang
nog toeneemt, worden de uit het water opstijgende dampen
nog dikker en pakken zich nog meer samen.
De vuren langs beide oevers vertoonden zich nu nog
7*