Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
dacht ik er aan , uit de takken, waarop wij hier staan ,
een vlot te bouwen; maar nu geef ik dat op. We zijn
met ons drieën, we kunnen met de kracht onzer armen ons
eiland zelf los en vlot maken. De nevel is dicht, de nacht
wordt donker, en morgen, als de dag aanbreekt. . . ."
„Zijn we van hier wijd weggedreven ," zei de Canadaan
op een toon , die zijne blijde verwachting verried. „Aan
't werk! Aan 't werk! De wind waait al frisch en het
moet al tegen den morgen loopen. We hebben geen tijd
te vertreuzelen." En met deze woorden begon hij zich van
kleeren en laarzen te ontdoen.
„Wat wilt gij doen ?" vroeg de Mexicaan. „Kunnen
wij drieën met onze vereende krachten het eiland niet
losrukken?"
„Losrukken wel; maar wij loopen dan gevaar van 't als
een takkebos , waarvan de band breekt, uit elkaar te zien
vallen. Om ons te redden, moet het eiland in den staat
blijven , waarin de natuur het gebracht heeft. Waarschijnlijk
heeft zich maar de een of andere stam of een zware wortel
in den rivierbodem vastgewoeld en houdt het hier onbewe-
gelijk vast. Gelukt het mij , die hindernis weg te ruimen ,
dan wordt het eiland vlot en blijft, zooals het is."
Op dit oogenblik liet een nachtuil zijn'klagend geschrei
hooren. In deze treurige tonen , die zoo onverwacht door
den stillen nacht klonken , juist toen een flauwe straal van
hoop in het hart der jagers was gedrongen, zag de Span-
jaard een onheilspellend voorteeken. „Ach ," zeide hij
bedrukt, „die stem van een uil in een toestand, als de
onze, beduidt niets goeds."
„Een oud jager mag zich niet beet laten nemen ," ant-
woordde de Canadaan. „'t Is een wachthoudende Indiaan ,
die zoo schreeuwt, om zijne makkers wakker te houden of
om ons schrik aan te jagen."
Hij had dit pas gezegd, toen van den anderen oever
dezelfde toon klonk, en daarop liep het geroep langs beide