Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
95
den vroeger liem zelf aangejaagden angst met woeker betaald
te hebben gezet, gaf hij vuur, en het lichaam dobberde
niet meer op het water.
„Is hij dood?" vroeg de Canadaan.
„Neen," was het antwoord; „ik heb hem alleen maar
den schouder verpletterd, om hem nog lang aan den angst
te doen denken, dien hij mij eerst aanjoeg."
„Gij hadt hem liever het licht moeten uitblazen ," bromde
de oude. „Maar wat nu te doen? Ik dacht aan het ding
een einde te maken, en nu moeten wij alles weer van voren
aan beginnen. Als gij zoo zwemmen kondt als ik, dan
zouden wij spoedig geborgen zijn; maar gij beiden zijt daar
stumpers in, en beneden dit eiland gaat zoo'n felle stroom,
dat zelfs een goed zwemmer zich er bij nacht niet graag
aan waagt."
„Als het verder zoo gaat als tot hiertoe, dan kunnen
wij het eind bedaard afwachten," zei de Spanjaard. „Er
zijn nu nog maar twaalf over."
„Ik geloof, dat ge u vergist," meende de oude. „We
hebben maar tien roodhuiden in het water gezien ; de beide
overigen zijn stellig niet stil op het droge gebleven , maar
zeker door den Zwarten Valk uitgezonden, om versterking
te halen."
Meer dan een uur was nu reeds weer verloopen, en
ofschoon geen gerucht de stilte van den nacht stoorde , zoo
luisterden de di'ie toch in de uiterste spanning, of zich ook
iets verdachts hooren liet. Na eenigen tijd zeide de Mexi-
caan : „'tis, of ik daar ginder ver geploeter in het water
hoor , alsof menschen of dieren dat in beweging brachten.
Do buifels komen anders zoo laat hun dorst niet meer
lesschen." I3ij deze woorden stond hij op en boog zich
voorover , om stroomopwaarts te zien; maar reeds op ge-
ringen afstand spanden nevellagen , die kringelend opstegen ,
een ondoordringbaren sluier voor zijne oogen uit. „Ik zie
enkel mist ea nevel," zei hij verdrietig; „en toch hoor ik