Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
gens afspraak weer laden zou, en stonden recht overeind op
den rivierkant, den voet vooruit, het mes in de hand.
„Nu zijn ze nog zeven sterk," riep de Canadaan met
donderende stem ; „zullen ze 't hart hebben , de skalpen van
drie blanken te halen?"
Het plotselijk verdwijnen van him opperhoofd en de dood
van drie krijgers had echter de Indianen geheel verbijsterd.
Zij vluchtten niet, maar bleven besluiteloos staan , onbe-
wegelijk , als zwarte rotsen , die door het heldere water van
den stroom bespeeld werden.
„Komt nader dan , honden , hongerige aasgieren !" riep
de ongeduldige Spanjaard ; doch de ontstelde Indianen hiel-
den nu geen stand meer en vluchtten ijlings naar den
oever terug.
Nu op eens bemerkte de Spanjaard op eenigen afstand
een zwart, op den rug drijvend lichaam. De flonkerende
oogen bewezen, dat het geen lijk was, niettegenstaande de
neerhangende armen en de bewegingloosheid des lichaams
dit hadden moeten doen denken.
„Gauw, gauw, mijne buks!" riep de jager; „daar is de
Zwarte Valk , die zich dood houdt en zich door den stroom
laat wegdrijven. De hond kon mij nooit beter gelegenheid
tot afrekening geven." Met deze woorden greep hij de buks
en legde op het vlottend lichaam aan; doch met uitzon-
dering van de oogen, die als vurige kolen gloeiden, bewoog
zich geen spier aan het lichaam van den Indiaan. De
Spanjaard liet de buks zakken. „Ik heb mij vergist," zeide
hij met luide stem, „en zal mijn kruit aan geen doode
kreng verspillen."
Het lichaam dreef nog altijd op den rug, de voeten van
elkaar, de armen naar beide zijden uitgestrekt, en de
strooming stuwde het zachtjes voort. Nu hief de Spanjaard
andermaal de buks op, mikte met nog grooter zorgvul-
digheid dan de eerste reis , en liet toen nogmaals den kolf
zakken. Eersi toen hij geloofde, het Indiaansche opperhoofd