Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
92
nadaan wierp haastig zijne muts en zijn vest af, alsof hij
zelf onder de kogels zijner vijanden was gevallen, en de
diepste stilte "volgde na dit schijnbaar moorddadig salvo op
het eiland.
Deze stilte deed onder de Indianen een triomfeerenden
juichkreet opgaan, die door een nieuwen kogelregen ge-
volgd werd. Maar ook ditmaal bleef het eiland stom als
het graf.
„Ziet, daar klimt al weer een van de duivels op dien
wilg," zeide de oude. „Wij willen ditmaal zijn schot af-
wachten , zonder ons te roeren , alsof 'wij dood waren. Dan
zal hij naar beneden komen en aan de anderen vertellen ,
dat hij de lijken van drie bleekgezichten heeft zien liggen."
Dit voorstel werd goedgekeurd ; de drie mannen bleven
onbewegelijk liggen en bespiedden daarbij al de bewegingen
van den roodhuid. Met de meeste voorzichtigheid klom de
wilde krijger van den eenen tak op den anderen en kwam
eindelijk op een punt, waar hij het eilandje overzien kon.
Hier zette hij zich op een tak schrap en stak behoedzaam
het hoofd vooruit, 't Gezicht der op het eiland uitgestrekte
drie lijken scheen hem niet te verrassen; maar om goed
zeker van zijne zaak te zijn , hief hij zijne buks op , legde
op het eiland aan , hief hot wapen nogmaals op, mikte
andermaal , herhaalde deze beweging meermalen , en stiet
eindelijk , daar geen der jagers zich roerde , een gillenden
juichkreet uit.
„Dion hond zal ik die plagerij betaald zetten!" mom-
pelde de Spanjaard ; „mijn eerste kogel is voor hem."
„'t Is de Zwarte Valk , een koene, sluwe kerel," zei de
Canadaan.
De Indiaan richtte nog eens den loop van zijn geweer
op de lichamen , die schijnbaar levenloos lagen , mikte zoo
bedaard als de schutter , die naar het wit schiet, en besloot
eindelijk vuur te geven. De kogel streek den Spanjaard
dicht bij het hoofd langs , en daar deze geen spier vertrok,