Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
91
Een aantal kogels ging boven hunne hoofden door de
bladeren en takken , terwijl tegelijk het krijgsgeschrei der
verraste Indianen hunne ooren verscheurde.
„Als ik 'tjiiet mis heb, hebben wij 't nu nog maar met
vijftien te doen," bromde de Canadaan, terwijl hij een
dunnen tak in vijf stukken brak en deze een voor een in
den grond stak. „'tZal goed zijn, dat wij hunne dooden
tellen, zoodat wij weten, hoeveel er nog overschieten.
Maar ziet eens die beweging in de bladen van den populier
daar! 't Is zeker niet de wind , die dat doet. Ik durf
wedden, dat het een' van de duivels is , die er in is opge-
klauterd."
Onder deze woorden mikte hij op een gaffelvormigen tak
van den boom , waarop zich een rood punt vertoonde, dat
elk ander oog voor een roodachtig blad zou hebben ge-
houden. Het schot kraakte nog , toen een Indiaan als een
van zijn steel gewaaide appel van tak op tak naar beneden
tuimelde.
Op dit meesterschot volgde een zoo schrikbarend gehuil ,
dat men zenuwen van ijzer en staal moest hebben , om er
niet door geschokt te worden.
„Wie weet, of niet nog anderen in de boomen zitten?"
zei de Canadaan echter met de grootste bedaardheid, „'t Is
dus maar geraden, dat wij plat op den rug blijven liggen
en altijd de boomtoppen in het oog houden , want alleen
uit de hoogte kunnen zij ons treffen. Wij moeten dus eerst
schieten, als wij een boven in een boom merken; tot zoo
lang willen wij ons dood houden. De schurken zullen niet
zonder onze skalpen willen aftrekken en eindelijk wel be-
sluiten , tot ons over te komen."
Deze gedachte scheen den jager door den hemel te zijn
ingegeven ; want nauwelijks lagen zij op den grond uitge-
strekt , toen een hagelbui van kogels en pijlen door hunne
verschansing drong en de takken havende , waarachter zij
zich nog eene minuut vroeger verborgen hadden. De Ca-