Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
.90
in het oog, want de donkerheid met al hare gevaren nam
snel toe. De meer verwijderde struiken begonnen reeds de
wonderlijke vormen aan te nemen , welke het onzeker licht
van de schemering hun pleegt te verleenen ; het groen der
boomen verkreeg eene andere kleur ; maar eene lange ge-
woonte had aan de beide oudste jagers het doordringend
oog der Indianen gegeven , terwijl bij hunne waakzaamheid
niet licht iets hunne geoefende zinnen kon misleiden.
„Zoudt ge ook niet haast zeggen ," fluisterde na eenigen
tijd de Canadaan, „dat die struik ginder van uitzien is
veranderd? 't Lijkt bijna, of hij broeder geworden is."
„Ja, dat lijkt wel zoo ," antwoordde de Spanjaard.
„Zie eens," vervolgde de oude, zich tot zijnen jongeren
makker wendende ; „gij hebt nog jonge oogen; vindt ge
niet, dat aan dat wilgenbosch de bladen naar voren in andere
richting staan, dan aan de achterzij ?"
De jonge man boog het riet voorzichtig wat op zij en
richtte zijne scherpe oogen op het aangeduide punt.
„Daar wil ik een eed op doen ," zei hij; „maar ik zie
iets , dat nog veel vreemder is. Daar ginder tusschen dien
wilgenstam en dien populier , een pas of tien van den wilg,
is een struikgewas, dat er voor een uur stellig niet was."
„A ha!" antwoordde de oude; „de roode duivels hebben
hun tijd gebruikt, om die takken af te snijden en daar een
draagbaar schutdak van te maken. Maar dat zal hun weinig
helpen. Mijn zoon , leg nu op dien struik aan , en gij" —
hij wendde zich tot den Spanjaard — „geef vuur op dat
wilgenboschje , waar de bladen slap bij neerhangen."
Een oogenblik later vielen van het eiland twee schoten,
waarvan de knal slechts een scheen te zijn. De nagemaakte
struik viel neer en daarachter spartelde een rood lichaam;
terwijl een ander zich achter het wilgenboschje stuiptrekkend
bewoog. De drie jagers wierpen zich plat op den rug ; de
beide jongeren laadden hunne buksen, terwijl de oudste
gereed was , de zijne te gebruiken.