Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
88
wapens , die zij hadden moeten afleggen , om onbelemmerd
de wilde paarden te vervolgen , teruggehaald, en nu ver-
wijderden zich vijf andere krijgers , om datzelfde te doen.
„'t Begint ernst te worden ," zei de Spanjaard. „Zullen wij
hen aantasten, zoo lang zij nog maar met hun vijftienen zijn?"
„Nog niet," antwoordde de Canadaan; „zij weten nog
niet zeker , of wij hier zijn of niet."
Intusschen had het opperhoofd eene buks gegrepen; hij
naderde andermaal den oever , legde aan en vuurde. De
kogel vloog fluitend dicht langs het hoofd van den jongen
Mexicaan, doch zonder hem te kwetsen. Nu traden nog
twee anderen met buksen vooruit en maakten beweging , om
op het eiland los te branden.
„Dat mag zoo niet," riep de Canadaan en sprong op;
„wij moeten den kerels ontzag inboezemen ; want anders kon
een hunner kogels ons nog wol raken."
Met deze woorden hief hij zijne buks op , mikte en deed
een der beide Indianen , die vuren wilden , neertuimelen ;
de ander viel door den kogel des Spanjaards, en de jonge
Mexicaan kwetste een der verder achteruit staande ruiters
zoo zwaar, dat hij van zijn paard stortte.
Aan de muts van vossevel, die het hoofd van den Cana-
daanschen reus dekte, en de lange, zware buks in zijne
hand herkenden de Apachen een hunner meest geduchte
vijanden, en verschrikt weken zij dadelijk vijftig tot zestig
passen van den oever terug. Hier kwamen ook de tweede
vijf ruiters , die hun krijgstuig gehaald hadden , weder bij
hen, en na een half uur waren ook de overigen ten volle
gewapend.
„Wij moeten nu ons lijf zien te bergen ," zei de Canadaan,
„en eene verschansing maken , die de kogels en pijlen beter
afweert, dan deze dunne wand van bladen en riet. Hebt
gij geteld, hoeveel buksen dc duivels hebben?"
„Zeven, als ik 't wel heb," antwoordde de Mexicaan.
„Dus zijn er twee onder hen, die ons weinig deren