Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
86
Het opperhoofd wenkte met de hand en maakte zoo aan
de jacht een einde. Nadat de gezamenhjke krijgers zich
rondom hem vereenigd hadden, ging hij den oever langs,
tot hij aan de plaats kwam, waar de drie blanke jagers
het zand verlaten hadden, om in de rivier te gaan en naar
het eilandje te komen. Overtuigd, dat de drie mannen zich
nog daarop bevonden, keerde hij met afgemeten tred tot
zijne krijgers terug en onderhield zich fluisterend met hen,
waarop vijf van de ruiters zich in galop verwijderden , om
den hun opgedragen last te volvoeren.
De zon scheen op de groene waterplanten en een zachte
wind speelde in de bladeren der dwergwilgen laugs den
zoom van het eilandje, dat even eenzaam en verlaten scheen
als in de dagen , toen de Gila alleen voor de vogelen des
hemels ön voor de buffels en de wilde paarden der prairie
stroomde. De Indiaan liet zich nogtans door die schijnbare
rust niet misleiden ; hij bracht zijne beide handen als een
roeper aan den mond en riep in eene uit Indiaansche en
Spaansche woorden samengestelde taal: „Do blanke krijgers
mogen zich vertoonen; de Zwarte Valk en de Apachen,
welke hij aanvoert, zijn hunne vrienden."
„Ik dank voor die vriendschap ," zei de oude Canadaan
met gesmoorde stem. „Indien wij ons vertoonden, zou
't eerste bewijs van zijne vriendschap zijn, dat hij ons als
wild liet neerschieten."
„"Wat moeten wij dien hond antwoorden ?" vroeg de jonge
Mexicaan.
„Niets ," zei de Spanjaard kortaf.
Werkelijk was ook het koeltje, dat door het oeverriet
suizelde , 't eenig antwoord , dat de roode aanvoerder ontving.
Na eenige minuten begon de Zwarte Valk andermaal:
„De wind kan zijn spoor in de lucht voor het oog van een
Apache verbergen ; de zalm , die bij den waterval opspringt,
laat geen spoor achter; maar een blanke, die de steppe
betreedt, is arend noch zalm."