Boekgegevens
Titel: Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. IJkema, 1872 *
Groningen: Gebroeders Hoitsema
Opmerking: Bevat o.a. 'Mijne omzwervingen in Mexico' en 'Beelden uit Ceylon'
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-197
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204150
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Azië, (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Midden- en Zuid-Amerika
Trefwoord: Sri Lanka, Mexico, Reisbeschrijvingen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Ver over zee: merkwaardige tochten en ontmoetingen ter zee en te land
Vorige scan Volgende scanScanned page
85
vlogen zij met eene koenheid, die voor geen gevaar terug-
beefde , over alle beletselen heen. De drie jagers volgden
met de levendigste deelneming tot de minste bijzonderheden
van die jacht, niettegenstaande de zorg , waarmede zij zich
aan de oogen der roodhuiden onttrekken moesten, hen van
een deel van het opwekkend schouwspel beroofde.
Het tooneel werd nu al levendiger en op beide zijden
van de rivier klonken luide stemmen en kreten. Op den
zuidelijken oever was het half dood gejaagde hert door de
struiken heengebroken en zette, door de huilende wolven
vervolgd , zijne vlucht pijlsnel voort, terwijl op den noor-
delijken oever de wilde paarden voor de Indianen, welker
gehuil voor dat der wilde dieren niet onderdeed , uitstoven en
wijde kringen beschreven, om de lans of den lasso te ontgaan.
„Prachtig! Heerlijk!" zeide de jonge Mexicaan, die voor
de eerste maal eene Indiaansche jacht bijwoonde, fluisterend
tot zijne makkers.
„Ik wou , dat al die pracht en heerlijkheid hier uren ver
vandaan waren gebleven," antwoordde de oude Canadaan
met een bezorgd gezicht.
„Ik ook," zei de Spanjaard. „Als een van de rood-
huiden onze sporen bemerkt hoeft, zullen zij liever op ons,
dan op de paarden jacht maken , en dan zullen wij er nog
leelijker aan toe zijn, dan gindsch hert, dat thans den-
kelijk al door de wolven wordt verscheurd."
Op dit oogenblik sprong een Indiaan, die de aanvoerder
der gansche bende scheen en zich door zijne donkerder
gelaatskleur en door de zwarte pluimen van zijn hoofdtooisel
van de anderen onderscheidde, van zijn paard, wierp een
dor krijgers de teugels toe, welke deze handig opving,
daalde tegenover het eilandje naar den oever af en zocht
op het zand naar een spoor.
Het hart van den Canadaan klopte onrustig , want deze
beweging van den Indiaan bewees , dat hij hun spoor reeds
op de prairie had ontdekt.