Boekgegevens
Titel: Opstellen met fouten tegen woordgronding, woordvoeging, stijl, enz.
Auteur: Bomhoff, Derk
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 G 54
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204126
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Opstellen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Opstellen met fouten tegen woordgronding, woordvoeging, stijl, enz.
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
wassen man; en wanneer hij des avonds thuis kwam, kon
hij even zoo veel aardappelen en meelbollen naar binnen
werken als de beste meesterknecht.
128. De oude Andries zag, dat hij voor het veld
niet deugde, en deed hem bij een kleermaker in de leer ....
Slechts de meisjes wilden niets van hem weten, ook die
niet, voor wie hij vroeger poppenhembdjes gemaakt had;
zij spotten veeleer met hera en ergerden hem met de spot-
naam van meester ScnAARBEEN, waarmede zij hem wegens
zijne kruislings gegroeide onderdanen bestempelden.
129- Op den vijfden dag werden de wateren bevolkt:
de bovenste wateren der lucht met gevogelte van dui-
zenderlei soorten, wier wieken het ruim des dampkrings
doorzweefden; de benedenste wateren der zee en rivieren
met millioenen wemelende visschen, kleinen zoo wel als
grooten, van het geringste, dat in het water leeft, tot
aan de schrikbarende watergedrochten, wier spelen den
oceaan doet zieden, en als door een storm beroert.
130. Staat voor den geslachtsnaam den voornaam,
dan verbuigt men alleen de eerste in den genitief.
131. Hij verkreeg een jaargeld, hetwelk hom in staat
stelde, zijne lust tot reizen te bevredigen.
132. Addison besloot nu zich geheel aan de letteren
en der dichtkunde toe te wijden.
132. Geen dichter heeft de schoonheden der natuur"
met zooveel kracht en geestdrift bezongen dan Thomson.
133. Op mijn geuit verlangen, van den koning voor-
gesteld to worden, bekwam ik nu, tot bescheid, dat Zijne
Majesteit thans rustte, en ik hem niet, voor dat hij, op
den gewonen tijd, zoude zijn opgestaan, zien zoude kunnen.
134. De beide broeders offerden, ieder van de vruchten
hunner bijzondere vlijt en bezorging.