Boekgegevens
Titel: Opstellen met fouten tegen woordgronding, woordvoeging, stijl, enz.
Auteur: Bomhoff, Derk
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 G 54
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204126
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Opstellen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Opstellen met fouten tegen woordgronding, woordvoeging, stijl, enz.
Vorige scan Volgende scanScanned page
80
te zijn voortgeschoten, zegt ons een net en stil gebouw
dat daar achter het oude Delft gelegen is, enz.
108. De hooge industriëele vorming van onzen tijd heeft
de reizigers niet zoo gemakkelijk omschapen als den weg.
109. Geen denkbeeld hebbende van schepping, onder-
scheiden zij (de Indiërs) niet de schepselen, waarmede
de Natuurkunde zich bezig houdt, en den Schepper, over
wien de godgeleerdheid handelt.
110. "Want God met den hemel of het uitspansel onop-
houdelijk verwarrende, hebben zij ook maar één naam
voor beide, tien.
111. Ik heb ook gehoord, dat Tromp en de Eüiter
de Engelschen braaf op hun baaitje gegeven hebben.
112. De mensch heeft op deze aarde nog iets anders
te doen , dan te zweeten en te zwoegen om zijn levens-
onderhoud, om dat te verkrijgen wat in de aardsche
behoeften van zich en zijn gezin zal moeten voorzien.
113. De mensch mag niet maar enkel den blik op
de aarde gevestigd houden, maar moet telkens het oog
naar boven werpen.
114. Al was het om dat te weten alleen, dan zou
de geschiedenis reeds waarde, hooge waarde moeten hebben.
115. Het was in 'tjaarllC5, en dus al bijna honderd
jaar geleeden. — In het volgende had dit den dood van
vier andere der voornaamste burgers ten gevolge.
116. Zij had de Guelfen en Gibellijnen een gelijk
deel aan de regering gegeven.
117. Het ging hun wel, zoo lang zij mannen hadden
als A., en zoo lang zij zulke mannen grooten invloed op
hunne zaken gunden.
118. De ware reden van deze beschuldiging tegen
Koen was intusschen de ijverzucht op dezen wakkeren