Boekgegevens
Titel: Opstellen met fouten tegen woordgronding, woordvoeging, stijl, enz.
Auteur: Bomhoff, Derk
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 G 54
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204126
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Opstellen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Opstellen met fouten tegen woordgronding, woordvoeging, stijl, enz.
Vorige scan Volgende scanScanned page
zijde een weinig was af getrokken, op nieuws weder te
zamen; want in het midden reeds van mei ontving valdes
bevel op zijn vorige post terug te kecren.
Met zeven duizent spanjaarts, Duitsclien en Waaien
verlaat hij het sticht utrecht waar hij sederd de over-
winning op de graaf van nassouw had gestaan, ging
linksch Amsteldam voorbij , steekt met geschut en al de
voorraat over het haarlemer meir, en naar verloop van
weinige dagen wajen weder zijne vanen (1574, mei) in 't
gezicht van Leijden,
5
Ongelukkig hadt de lichtsinnigheid der inwoners en
hunner bestuurderen de waarschouwende wenk niet geiigt,
dien hen de beschermgeest der stad, door de vroeger in-
sluiting, gegeven heeft. Wel verre verwijderd van zich
de ondervinding van dat eerste gevaar te nutte te maken,
om zich voortebereiden tot een toekomstig, geloven zij
veel meer na het gelukkige voorbij gaan van het vroeger
gevaar zich tegen elk volgende beveiligt. Als derhalven de
Spanjaarts thands voor de tweede maal voor hun muren
verscheenen, ontbrak het weederom aan alles. Er waren
nog soldaten ter verdeediging, noch voorraad voor han-
den; ja men hadt zelfs verzuimt, om de door de vijand
bij de voorige blokkade opgeworpen verschansingen te
vernielen. Een zorgeloosheid zoo strafbaar moet ons ge-
heel misnoegen tegen de overheden en burgeren van deze
ongelukkige stad gaande maken, die aan de rand van
den open afgrond zoo gerust sluimeren konden. Eerst
dan verzoenen wij ons met hun weder; en ons ongenoe-
gen gaat over tot bewondering en oprechte deelneming,
wanneer het gevolg van deze gebenrtnis ons zien doet,
met welke buitengewoone standvastigheid, met welke